DE VERLICHTING EN HET LICHT IN DE GOUDEN EEUW VAN DE NEDERLANDSE REPUBLIEK

1. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden2. De Radicale Hollandse Verlichting3. Het wetenschappelijke wereldbeeld4. De Hollandse kijker of telescoop5. Meetkundige optica6. De microscoop7. De schilderkunst8. De literatuur9. De muziek

De muziek

Met voorbijzien van de bijna achthonderd weinig bekende composities van Constantijn Huygens sr., komt het licht in de muziek van de Gouden Eeuw voornamelijk uit het werk van Jan Pieterszoon Sweelinck, maar dan gaat het – vergelijkbaar met het licht in Vondels treurspelen − vrijwel uitsluitend over goddelijk licht, gezien zijn grote oeuvre aan religieuze orgelmuziek. Toch valt er hier en daar nog wel een gaatje te vinden waardoor een enkel sprankje met een uit Venetië afkomstige Hollandse glans naar binnen valt.

Sweelinck werd in Deventer geboren als telg uit een lang geslacht van organisten: zijn grootvader en vader bespeelden het orgel en ook zijn zoon zou dat gaan doen. Eenmaal verhuisd naar Amsterdam werd hij organist van de Oude Kerk, en door zijn toedoen ontstond daar de eerste burgerlijke concertzaal in noordelijk Europa. Zijn muzikale talent bezorgde hem de bijnaam ‘de Amsterdamse Orpheus’ dan wel ‘prins van de muziek’ en zijn roem als leermeester van meerdere toonaangevende Noord-Duitse organisten leverde hem nog het derde epitheton ‘Hamburgse organistenmaker’ op. De meeste leerlingen uit Duitsland bezochten hem gedurende het Twaalfjarige Bestand tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In Amsterdam verkeerde hij onder rijke kooplieden en intellectuelen, onder wie het echtpaar Pieter en Christina Hooft en andere leden van de Muiderkring, en trad hij regelmatig op in hun grachtenpanden, als klavecimbelvirtuoos en als leider van het Collegium Musicum, een mannenkoor bestaande uit bevriende, meest gefortuneerde kooplieden.

Zijn vaardigheid in het componeren en het hoge niveau van met name zijn ensemblemuziek maken het onwaarschijnlijk dat Sweelinck zich uitsluitend door zelfstudie heeft ontwikkeld, maar het is niet met zekerheid bekend bij wie hij anders dan bij zijn vader in de leer kan zijn geweest. Er zijn wel aanwijzingen dat hij op jonge leeftijd samen met zijn broer de kunstschilder Jan, zoals zoveel andere jongelieden in die tijd, voor studiedoeleinden op een grand tour door Europa in Italië is geweest en daar omstreeks 1575 in Venetië enige tijd bij de muziektheoreticus Gioseffo Zarlino heeft gestudeerd. Mocht dat niet het geval zijn geweest, dan was hij, blijkens zijn muziek, in ieder geval goed bekend met Zarlino’s beroemde en schoolmakende compositieleerboeken die wijd en zijd over Europa waren verspreid. Ook vertonen Sweelincks toccata’s en fantasia’s duidelijke verwantschap met de composities van nog een andere belangrijke Venetiaan, de componist Andrea Gabrieli, de organist van de San Marco.

Sweelinck stierf in 1621 na een kortstondig ziekbed en werd onder klokgelui begraven in de Oude Kerk. En wie anders dan Joost van den Vondel zorgde ook nu weer voor het grafschrift:

Dits Sweelinck’s sterfelyk deel, ten troost ons nagebleven
’t Onsterfelyk hout de maet by Godt in ’t eeuwig leven
Daar streckt hy, meer dan hier omvatten ons gehoor
Een goddlycke galm in aller Enghlen oor.

Nog een ander sprankje muzikaal Hollands licht is afkomstige van de in 1575 in Middelburg geboren en in 1625 in Veere gestorven dichter en componist Adrianus Valerius, medewerker aan de bundel de Zeeusche Nachtegael. In Middelburg moet hij een aantal jaren tegelijk met Hans Lippershey en Zacharias Jansen hebben vertoefd, voor hij in 1592 naar Veere vertrok. Zijn grootste bekendheid verwierf hij met zijn postuum in 1626 verschenen Nederlandsche gedenck-clanck, een verzameling geuzenliederen uit de Tachtigjarige Oorlog. Het bekendste lied uit de bundel is het Wilhelmus op de melodie van een Frans soldatenliedje, dat in 1932 tot het Nederlandse volkslied werd gebombardeerd. Daarnaast is het Merck toch hoe sterck tegenwoordig ook nog wel bekend, het lied waarin Bergen op Zoom opgeroepen wordt om vroom te blijven en stand te houden tegen de belegering van de Spaanse troepen onder het commando van Spinola.