EINDTIJD OF WEDERGEBOORTE

1. De eeuwwenden2. Het fin de siècle 1900 en op weg naar het fin de millénaire3. Fin de millénaire

Fin de millénaire

Hoe de geschiedenis zich (niet) herhaalt

Max Nordau, dezelfde cultuurpessimist die zijn eigen Fin de Siècle-wereld in decadentie ten onder zag gaan, fantaseerde ook over een wedergeboorte in het voor hem nog ver in de toekomst liggende Fin de Millénaire en werd daar, bij het idee van een aanzienlijke materiële vooruitgang, een stuk vrolijker van. Hij voorspelde een generatie mensen die zich op haar gemak zou voelen in het hart van een stad die door miljoenen mensen wordt bewoond en in staat zal zijn met stalen zenuwen, zonder haast of onrust, om te gaan met de schier ontelbare eisen van het chaotische bestaan.[1] Die generatie, schreef Nordau, zou er geen been in zien dagelijks een dozijn kranten te lezen, voortdurend aan de telefoon geroepen te worden, tegelijkertijd aan de vijf continenten van de wereld te denken, hun halve leven in een treinwagon of in een vliegtuig door te brengen, en aan de wensen van een kring van tienduizend kennissen, collega’s en vrienden te voldoen. Dat Mark Zuckerberg in het begin van de eenentwintigste eeuw met zijn sociale netwerk Facebook aan het aantal vrienden een maximum van vijfduizend zou opleggen kon hij uiteraard nog niet bevroeden, net zo min als hij wist dat het ontstaan van dergelijke metropolen voor Oswald Spengler juist het bewijs voor decadentie en ondergang zou gaan betekenen.

Omgekeerd zijn er ook hedendaagse cultuurcritici die het Fin de Millénaire in een terugblik graag vergelijken met de toestand aan het eind van de negentiende eeuw. Zo schrijft de in 2007 overleden historicus Eugen Weber in zijn aan het Fin de Siècle in Frankrijk gewijde boek, dat de tegenstrijdigheid tussen materiële vooruitgang en geestelijke neerslachtigheid rond 1900 hem sterk doet denken aan zijn eigen − dus onze − tijd. Er was zoveel dat goed ging aan het eind van de negentiende eeuw, maar er werd tegelijk net zoveel gezegd om de mensen te laten geloven dat het allemaal misging. De verklaring daarvoor meende Weber te vinden in het feit dat publieke debatten meestal over politieke kwesties gaan, en de politieke stijl vraagt nu eenmaal om een rampzalige voorstelling van zaken: ‘Vandaar dat een aanzienlijk deel van de politieke debatten zich afspeelt op de rand van de ondergang of die op zijn minst aan de einder ziet opdoemen.’[2] Wordt dit citaat voor de duidelijkheid nog wat karikaturaler geparafraseerd dan het zelf al is, dan staat er dat er in het Fin de Siècle niet werkelijk veel aan de hand was, en rond 2000 dus ook niet, maar dat de zaken waar publiekelijk over gesproken of geschreven wordt politieke kwesties zijn die alleen maar rampzalig lijken omdat ze worden gesteld in het politieke jargon dat op retorische gronden een overdreven dramatisch karakter moet hebben. Hoewel de bonte koe van het Fin de Siècle ook dit vlekje wel zal hebben gehad, mag deze opvatting als karakteristiek voor de hele situatie aan het eind van de negentiende eeuw best bezijden de waarheid worden genoemd. Immers, ook cultuurmonumentale figuren als Karl Marx, Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche formuleerden indringend hun crisisgevoel en dat getuigt toch van beroering in wat diepere lagen van de beschaving dan uitsluitend politieke stormen in een glas water. Zo schreef Nietzsche dat ‘niet alleen de rede van duizenden jaren, maar ook hun waanzin in ons tot uitbarsting komt’,[3] en Freud wilde dat de psychoanalyse als zijn meest tot de verbeelding sprekende schepping ‘de hypocrisie en de uit fatsoen geboren leugens van de burgerlijke samenleving’ meedogenloos aan het licht zou brengen.[4] Het bewijs van hun gelijk blijkt ondubbelzinnig uit de Eerste Wereldoorlog die direct uit deze crisissituatie is voortgekomen en met de vijftien miljoen doden in vier jaar tijd moeilijk met een storm in een glas water is te vergelijken. En de milieu- en klimaatproblemen die sindsdien als gevolg van de snelle bevolkingsgroei met bijbehorende consumptie van grondstoffen en energie aan het licht zijn gekomen – een dramatisch verlies aan biodiversiteit met één miljoen van de negen miljoen soorten planten en dieren waardoor de hele voedselketen verstoord wordt − en die we moeten zien op te lossen kwalificeren als overdreven politieke aanstellerij is des te meer een bewijs van Webers op die van populistische figuren als Donald Trump en Thierry Baudet lijkende wereldvreemdheid en onkunde.

Los van het modieuze dan wel serieuze karakter van de crises rond 1900 en 2000: welke thema’s van het vorige Fin de Siècle hebben zich dan een eeuw later opnieuw aangediend? Volgens Weber voelde men zich aan het eind van de negentiende eeuw ook al bedreigd door vervuiling, overbevolking, lawaai, nerveuze spanning, drugs, verderfelijke invloed van pers, publiciteit en reclame, en vormden het weer, de vrede en de veiligheid in Europa, het natuurlijke milieu, het zedelijke verval en zowel de individuele als de volksgezondheid voor velen aanleiding tot grote bezorgdheid. Ook terroristische strijdmethoden behoorden tot de orde van de dag, al ging het toen voornamelijk om gerichte aanslagen op een prominente enkeling en zijn tegenwoordig – vanwege het zaaien van angst als belangrijkste oogmerk − grote groepen van willekeurige personen het favoriete doelwit. Is er in de eeuw daarna dan werkelijk zo weinig veranderd?

Als opmerkelijk voorbeeld van zo’n terugkerend thema deed zich aan het eind van de negentiende eeuw op ruime schaal een vermoeidheidsverschijnsel voor dat de gemoederen danig bezighield, en toen in 1880 in Amerika een boek met de titel Nervous Exhaustion verscheen, werd dat al snel in het Frans vertaald. Het ging om een ‘zenuwzwakte’ waar vooral huisvrouwen en jonge volwassenen last van hadden, en die zich uitte in verwante verschijnselen als lichamelijke en geestelijke traagheid, snelle vermoeidheid, gebrek aan energie en levenslust. Louis Couperus ontleende er zijn romanpersonage Eline Vere aan en Catharine van Tussenbroek, de allereerste vrouwelijke student aan de Universiteit Utrecht, hield in 1898 ter gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid een toespraak, met de titel Over het Tekort aan Levensenergie bij onze jonge Vrouwen en Meisjes.

Het merkwaardige is nu dat, anders dan de door Nordau voorspelde stalen zenuwen, ook aan het eind van de twintigste eeuw allerlei syndromen de kop op staken − whiplash, burn-out, myalgische encefalomyelitis of ME − waarvan de oorzaken grotendeels in het duister liggen en waarbij de vele slachtoffers gebukt gaan onder een vergelijkbaar vaag en even hinderlijk klachtenpakket, en dat vanwege het sociaal-constructivistische karakter mogelijk in de loop van de eenentwintigste eeuw net zo ongemerkt weer van het toneel zal verdwijnen als het binnen is geslopen. In ieder geval is de therapie voor dit soort kwalen de laatste tijd sterk veranderd: moest genezing aan het eind van de twintigste eeuw nog plaatsvinden door langdurige rust, aan het begin van de eenentwintigste eeuw werd geadviseerd weer zo snel mogelijk gewoon aan het werk te gaan. Dat het om sociaal-constructivistische verschijnselen gaat betekent nog niet dat het uitsluitend om tussen de oren bestaande wanen zijn waaronder niet geleden zou hoeven te worden, maar dat iets ‘werkelijkheid’ wordt dat eerder niet was opgemerkt. De Groningse psychologe Trudy Dehue laat in haar boek De depressie-epidemie zien hoe in de westerse landen veel mensen zich depressief zijn gaan voelen als gevolg van een campagne van de farmaceutische industrie die een afzetmarkt voor de geëigende medicijnen zocht, en de filosoof Ian Hacking heeft aangetoond hoe de aandacht voor het verschijnsel multipele persoonlijkheid tot een ware epidemie heeft geleid.[5] Het signaleren en benoemen kan kennelijk voldoende zijn om een voordien verborgen lijden manifest te maken. Intussen is ook het inzicht ontstaan dat de meervoudige persoonlijkheid niet alleen als probleem, maar ook een nieuwe verworvenheid kan zijn, als het wordt bezien vanuit het vreemde lus-model voor de menselijke psyche.

Dat er in de eenentwintigste eeuw, net als honderd jaar daarvoor, ook dringender problemen dan vermoeidheid van bepaalde bevolkingsgroepen moeten worden opgelost staat buiten kijf, en ook dat die problemen – de door het opkomende populisme ontsporende democratie, de door nationalisme en migrantenstromen uitgedaagde Europese Unie, de computersingulariteit, de besmettelijke resistente bacterie- en virusstammen en het wankelende wereldklimaat met een stijgende zeespiegel − omvangrijker en nijpender zijn geworden. We bevinden ons nu eens te meer in een overgangsperiode van de wereldgeschiedenis waarin ons grote veranderingen te wachten staan en hoe die voor de mensheid als geheel zullen uitpakken is niet te voorspellen. De vele pogingen om dat toch te doen hielden achteraf weinig anders in dan het dóórdenken en uitvergroten van ontwikkelingen die al herkenbaar aan de gang waren, terwijl de echt grote veranderingen of revoluties chaotische processen zijn die zich per definitie bijna altijd aan voorspellingen onttrekken, wat op het gebied van de politiek door het totaal onverwachte neerhalen van de Berlijnse Muur in 1989, het aanbreken van de Arabische lente in het begin van de eenentwintigste eeuw en een paar decennia later het Russische aanstichten van een nieuwe Europese oorlog eens te meer is bewezen.

In zijn recente beschouwing over de toekomst van Europa schrijft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev in welhaast spengleriaanse termen:

Wat mij vooral boeit is de politieke kracht van wat ik de ‘déjà vu-manier van denken’ noem – dat wil zeggen het idee dat wat wij vandaag meemaken een herhaling is van een eerdere historische episode.[6]

Mogelijk dat de geschiedenis ons in sommige opzichten toch tot lering kan strekken, waarbij wij op de schrijvers en denkers uit het Interbellum vóór hebben dat wij intussen weten hoe hun sombere vermoedens en voorgevoelens in de werkelijkheid zijn uitgepakt: de opkomst van Adolf Hitler en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog inclusief de volkerenmoord waarover we massaal ‘dat nooit meer’ zijn overeengekomen. We zullen als gewaarschuwd mens met betrekking tot recente ontwikkelingen zeker op onze hoede moeten zijn, wat het niet zo vreemd maakt dat onder de hedendaagse Europese elite enige mate van zorg en angst heerst voor een terugkeer van de extreme uitingen van rassenhaat uit de vorige eeuw. Zoals Krastev het formuleert lijkt het bijna een citaat uit Sinclair Lewis’ It Can’t Happen Here:

Een opstand tegen tolerantie is momenteel gangbaar onder zowel populisten als liberalen: terwijl populisten stellen dat onze [boreale] samenleving aan het ‘verbruinen’ is vanwege de ‘vervuiling’ door niet-blanke rassen, culturen en godsdiensten, vrezen liberalen dat de samenleving ‘verbruint’ door het toenemend aantal mensen dat de ideologie van de bruinhemden uit het nationaalsocialistische Duitsland aanhangt.[7]

De vraag is nu of die angst ook gegrond is en of we uit de werken van Spengler, Ortega y Gasset, Huizinga en Lewis iets kunnen afleiden wat een letterlijke herhaling van de dramatische geschiedenis van de twintigste eeuw – of nog erger − zou kunnen afwenden.

Populisme

Het is tegenwoordig, zo stelt Kieft in zijn Het verboden boek, nauwelijks mogelijk om nog iets over de opkomst van Hitler te lezen zonder te denken aan de retoriek van Geert Wilders, Marine le Pen, Donald Trump of welke andere tegenwoordige of toekomstige populistisch politicus dan ook, en die vergelijkingen zijn de laatste jaren dan ook vaak gemaakt. Maar een essentieel verschil is wel dat Trump, hoe opportunistisch, kortzichtig, dwaas en irritant hij volgens verstandiger mensen ook overkomt, geen racistische of antisemitische ideologie predikt, ook al leggen zijn grootste critici allerlei directe verbanden om dat te suggereren. Het geweld tijdens de Trump-rally’s, dat veel mensen terecht zorgen baarde, staat in schril contrast met het letterlijk oproepen tot het doden van politieke tegenstanders tijdens bijeenkomsten van Windrips Civilion Conservation Corps en Hitlers NSDAP,[8] hoewel zijn aanhangers daar bij gelegenheid wel mee hebben gedreigd.

Ook op Wilders valt veel aan te merken, maar niet dat hij een dictator en een racist is. De PVV heeft nooit gepleit voor afschaffing van het ‘nepparlement’ en het ophangen van alle volksvertegenwoordigers, en zijn oproep tot ‘minder, minder, minder Marokkanen’ is discriminerend en haat- of op zijn minst verdeeldheid zaaiend, maar van een volstrekt andere orde dan Hitlers oproep om ‘het Joodse en marxistische ongedierte te verdelgen’.[9] De ironie van dit soort vergelijkingen met de nazicultuur uit de tijd van Spengler, Ortega y Gazzet, Huizinga en Lewis, stelt Kieft, is dat ze averechts werken, het proces van politieke polarisatie alleen maar bevorderen en de extreme absurditeit van het Derde Rijk te veel relativeren:

PVV-aanhangers zijn het zat om voor nazi’s te worden uitgemaakt, net als Nederlandse moslims het zat zijn als hun religie als islamfascisme wordt afgeschilderd. Het gaat er niet eens om of al die vergelijkingen met de nazi’s per definitie ongegrond zijn – soms zijn er wel degelijk zorgwekkende overeenkomsten. Het echte probleem is dat ze het debat lamleggen in plaats van stimuleren.

De hedendaagse Duitse filosoof Philipp Blom huldigt een vergelijkbaar standpunt als hij beweert dat het duidelijk beschreven en gedefinieerde historische fascisme van zijn betekenis wordt ontdaan als het willekeurig wordt toegepast op iedere populistische beweging die zich tegenwoordig voordoet: niet iedereen die op een verkiezingsbijeenkomst slogans schreeuwt is meteen maar een fascist en niet iedere politieke opinieleider een Hitler – ‘alleen Hitler was Hitler’.[10] Er is hoogstens sprake van een interessante familiegelijkenis, of zoals Mark Twain het formuleerde: ‘De geschiedenis herhaalt zich niet, maar wil soms wel rijmen,’ waarmee hij de rauwe geschiedenis van een verrassend poëtisch smaakje voorzag.

Als er iets van Spengler, Ortega y Gasset, Huizinga en Lewis valt te leren is dat het isoleren van populistische bewegingen – dan wel het vermoorden van de prominente vertegenwoordigers ervan – averechts werkt, en schieten we er evenmin veel mee op als we alleen maar lachen om de peroxidekuiven en het gebrek aan beschaving van Trump en Wilders, of om het potjeslatijn dat om te imponeren met zijn superieure intellect wordt gebezigd door die andere ster aan het Nederlandse rechts-populistische firmament Thierry Baudet. Wat het acute gevaar betreft zijn er dringender zaken aan de orde dan de stormen in het glaasje water van het hedendaagse populisme die onze aandacht en zorg verlangen, te weten de eenwording van Europa, de op handen zijnde klimaatverandering, de exploderende computertechnologie en de resistente bacterie- en virusstammen.

Daarbij moet zeker in gedachten worden gehouden dat populisten hoofdzakelijk bezig zijn met hun directe persoonlijke belangen en omstandigheden – zoals hoeveel asfalt er nog bij kan en op welke gedeelten van de zesbaanswegen er op welke tijd van de dag 130 kilometer per uur gereden kan worden − en doorgaans weinig interesse tonen voor kwesties op wat langere termijn en wat verder van hun bed. Geconfronteerd met de wereldbedreigende problemen haalt de massa – en hun vertegenwoordigers − doorgaans de schouders op, pakt een biertje uit de koelkast, ploft op de bank neer en zet de televisie aan om eindelijk alles te weten te komen over prangende kwesties als wie er dit jaar de slimste mens dan wel de mol is of het mooiste meisje van de klas was, welk voetbalteam er dit keer met de beker vandoor gaat, welke boer er een vrouw zoekt, wie er de beste koek bakt en welke kleur de knecht van Sinterklaas mag hebben, gaat een potje daten of gamen[11] en stuurt de zoveelste selfie met een zojuist bereide chili con carne aan de keukentafel middels een van de sociale media de wereld in.

In haar essay De wereld in selfies vraagt de filosoof Elize de Mul zich af of het hier inderdaad gaat om generaties die zich uit onmacht afwenden van de problemen van deze tijd – de klimaatcrises, politieke onrust, barsten in de fundamenten van de EU, enorme vluchtelingenstromen, het massaal uitsterven van diersoorten – om in plaats daarvan steeds weer narcistisch betoverd te raken door en weg te kwijnen in het geliefde zelfbeeld.[12]

Europa

Alexander de Grote en Julius Caesar hebben het niet voor elkaar gekregen, Karel de Grote evenmin, Napoleon Bonaparte is er niet in geslaagd en Adolf Hitler al helemaal niet, maar nu lijkt het op een heel wat vreedzamer wijze dan toch wél te gebeuren: hoewel moeizaam gewonnen terrein – met een dreigende grexit en een daadwerkelijke brexit − soms weer even moest worden prijsgegeven, maar met Finland en Zweden als nieuwe uitbreidingen en een hele serie Midden-Europese landen op de wachtlijst, staan we vanaf het begin van het derde millennium op de drempel van een politiek, economisch en militair – maar niet etnisch, cultureel en religieus − verenigd Europa, wat Spengler, Ortega y Gasset en Huizinga uit de grond van hun hart zouden hebben toegejuicht. Niet etnisch, cultureel en religieus, omdat politieke, economische en militaire eenheid juist het noodzakelijke kader moet scheppen waarbinnen een tolerante verscheidenheid op die gebieden kan bloeien. Hoe boeiend die opdracht ook is, het is zeker geen eenvoudige kwestie en nog lang geen uitgemaakte zaak hoe al die verschillende nationaliteiten en uiteenlopende religies en etnische tradities zodanig bij elkaar gebracht kunnen worden dat ze hun eigen identiteit blijven behouden en tegelijk een effectieve samenwerking op politiek, economisch en militair gebied mogelijk maken, omdat Europa zonder dat laatste te midden van grootmachten als China, Rusland en de Verenigde Staten iedere bestaansgrond in de huidige wereld zou verliezen.[13] De Britten die zich verheugen in de omstandigheid hun eigen land weer terug te hebben gekregen, weigeren in te zien hoe schamel de restanten zijn – met Gibraltar, de Falkland Eilanden, en nog een dozijn andere kleine overzeese gebiedsdelen – die er van hun voormalige wereldrijk waarin zij over de golven heersten zijn overgebleven en nemen de economische malaise waarin ze zijn beland kennelijk voor lief.

Welke ontelbaar vele uiterst gedetailleerde geschilpunten zich binnen de fijnmazige Europese cultuur kunnen voordoen blijkt bijvoorbeeld in de Elzas, een gebied dat aan de oostkant door de Rijn als grensrivier van Duitsland wordt gescheiden: aan de frivole Franse kant hoeft een visser in de Rijn alleen maar een vergunning aan te vragen, terwijl hij in de buurt van de degelijke Duitse oever pas een vergunning krijgt als hij een schriftelijk examen met goed gevolg heeft afgelegd. Een beetje te ver afgedreven naar de Duitse kant moest een ongediplomeerde Elzasser sportvisser wegens het vangen van vijf vissen een boete van 750 euro aan de Duitse autoriteiten betalen en werden zijn drie hengels ter waarde van 600 euro in beslag genomen,[14] en er zijn natuurlijk heel wat fundamentelere verschillen tussen oost en west of noord en zuid die uit de wereld geholpen moeten worden, verschillen die nog niet zo heel lang geleden tot twee wereldoorlogen hebben geleid. Toch lijkt het erop dat de tientallen etnische groepen binnen Europa – ondanks lokale mislukkingen zoals onlangs in Catalonië − een toekomst met minder nationale grenzen en meer lokale autonomie met vertrouwen tegemoet kunnen zien. Intussen heeft de Europese Unie al verschillende uitdagingen met meer of minder glans doorstaan, hebben de bankencrisis en de terroristische dreiging de eenheid niet doorbroken en lijkt het vertrek van de Britten uit de Unie weinig onrust te veroorzaken: dan moeten ze het ook zelf maar weten.[15]

Maar de echte houdbaarheid zal onder meer nog moeten blijken uit het vermogen om de klimaatdoelstellingen te halen en de migrantenstromen op te vangen en in te dammen.[16] Mogelijk dat er wat het laatste betreft kennis en hoop geput kan worden uit het verleden, toen de vanwege hun ras of geloof vervolgden uit Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk, België en Duitsland – onder wie de glasbewerkers Anthony Obisy en Hans Lippershey, de filosofen Baruch Spinoza en René Descartes, de dichter Joost van den Vondel en de schilder Frans Hals – met hun komst de Nederlandse Republiek niet hebben bedreigd maar juist aanzienlijk aan het tot volle bloei brengen van de Gouden Eeuw en de Verlichting hebben bijgedragen (zie hoofdstuk IV).[17] Hoopgevend is dat volgens een recent onderzoek het percentage Nederlanders, anders dan de Canadezen in het boek van Lewis, dat de komst van de migranten niet zozeer als een probleem ziet maar eerder als oplossing van het vergrijzingsprobleem en het tekort aan arbeidskrachten aan het toenemen is.

Voor de hiervoor besproken denkers uit het Interbellum was de hoop op eenwording van Europa een noodzakelijke voorwaarde voor verdere ontwikkeling van het continent en vormde het opkomende nationalisme een directe bedreiging voor de vrede. Spengler vond dat het nationaalsocialisme te beperkt Duits en te weinig Europees was om op zijn steun te kunnen rekenen, en Ortega y Gasset en Huizinga zagen de Europese integratie als een zo bevlogen gezamenlijk project dat de onderlinge strijdpunten tussen de naties naar de achtergrond zouden verdwijnen en zo een serieus en redelijk alternatief voor de natuurlijke hang naar conflicten met gewapend geweld ging vormen. Beschavingen kunnen buiten adem raken en het opgeven, schrijft Philipp Blom in dat verband, en om te overleven hebben ze niet alleen economische welvaart nodig, maar ook een gemeenschappelijk, begeesterend, bindend en hoopgevend project waarmee de zo onzekere toekomst vorm kan worden gegeven.[18]

Wat West-Europa betreft hebben we de Europese eenwording na de Tweede Wereldoorlog al zo lang zien aankomen dat we langzaam aan het idee hebben kunnen wennen, maar wie heeft in het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw durven voorspellen wat er plotseling in Oost-Europa en de Sovjet-Unie allemaal ging gebeuren? Niemand heeft kunnen bevroeden dat op 11 maart 1985 Michail Gorbatsjov aan de macht zou komen, wat de inleiding was op de totale ineenstorting van het Oostblokcommunisme een kleine vijf jaar later. Hoe onverwacht die omwenteling kwam blijkt uit het feit dat de West-Duitse bondskanselier Helmut Kohl op 8 november 1989, één dag voor de Berlijnse Muur door het volk werd neergehaald, bij een officieel bezoek aan Polen de leider van de vakbeweging Solidarność verzekerde dat de muur zeker nog een paar decennia overeind zou blijven. Hij bracht bij die gelegenheid ook nog een bezoek aan de Maria-bedevaartplaats van het Poolse volk in Czestochowa, en heeft daar gebeden voor de Duitse eenwording. Sindsdien vertelt de gids aan de pelgrims daar dat het gebed is verhoord en er een dag later een wonder is geschied. Tegen de achtergrond van grote verhalen en ideeën ontwikkelt de geschiedenis zich kennelijk vaak ten gevolge van relatief kleine gebeurtenissen – het vlindereffect (zie hoofdstuk XI) − en het verklaart tenminste een deel van de moeizaamheid waarmee de Oost-Europese leden van de Unie zich aan het invoegen zijn.

Of de westerse blijdschap met de overwinning van de liberale vrijemarkteconomie op de centraal geleide planeconomie van het staatscommunisme terecht is zal de toekomst nog moeten leren, want de communistische ideologie is al zo oud en eerbiedwaardig als de beschaving zelf. De basisideeën – het uitbannen van onderdrukking en uitbuiting, het gezamenlijke bezit van de productiemiddelen en voor ieder gelijkelijk naar bescheiden behoefte te verkrijgen goederen en diensten – zijn al terug te vinden in Plato’s Staat, in het vroege, nog zuivere christendom en in Tomasso Campanella’s Zonnestad, en dezelfde ideeën zijn door Marx en Engels in 1848 nog verwoord in het Communistisch Manifest. Dat er met de praktische invulling van de marxistisch-leninistisch-maoïstische versies iets fundamenteel is misgegaan staat gezien de miljoenen slachtoffers uiteraard niet ter discussie, maar brengt ons eigenlijk alleen maar meer in verlegenheid, want op ideologisch niveau is het communisme toch het meest fatsoenlijke stelsel en het is eigenlijk beschamend dat we er nog steeds niet in geslaagd zijn een vorm te vinden die aansluit bij concreet menselijk gedrag, waarbij dwang en geweld achterwege kunnen blijven. De Koude Oorlog – of moeten we het al de Eerste Koude Oorlog noemen − is weliswaar door het westerse kapitalisme gewonnen, maar door de toestand waarin de wereld momenteel verkeert zou het wel eens een pyrrusoverwinning kunnen blijken. In zijn Living in the End Times schrijft de Sloveense filosoof en cultuurcriticus Slavoj Žižek daaromtrent:

De vooronderstelling die door mijn hele boek heen speelt is eenvoudig: het wereldwijde kapitalistische systeem nadert tot een apocalyptisch nulpunt. De ‘vier apocalyptische ruiters’ omvatten de ecologische crisis, de gevolgen van de biogenetische revolutie, de interne onevenwichtigheden binnen het systeem zelf (zoals de problemen met intellectueel eigendom, toekomstige oorlogen over grondstoffen, voedsel en water) en de explosieve groei van sociale uitsluitingen en ongelijke verdelingen.[19]

Dat er sprake kan zijn van een vijfde apocalyptische ruiter die de computersingulariteit vertegenwoordigt laat Žižek, mogelijk om de Bijbelse metafoor niet te ontkrachten, buiten beschouwing. Eveneens van belang is dat zich vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw een vergelijkbare, maar nog gewelddadiger en veel langduriger omwenteling voltrekt in de Arabische wereld die, met de Middellandse Zee (volgens de Romeinen Mare Nostrum, de onze) als binnenzee, om mythische, religieuze en geografische redenen tot Europa behoort.

Mythisch, religieus en geografisch Europa

De oorsprong van de Europese cultuur ligt immers in het huidige Libanon, aan de zuidoostelijke kust van de Middellandse Zee. Volgens het mythische verhaal speelde de Fenicische prinses Europa daar met haar hofdames op het strand, waar de permanent bronstige oppergod Zeus zijn oog op haar liet vallen en besloot werk van haar te maken. Beducht als hij was voor de spiedende blik van zijn zo terecht jaloerse gade Hera, veranderde hij zichzelf in een witte stier en ontvoerde de prinses naar het eiland Kreta, waar hij bij haar in de schaduw van een bosje koning Minos verwekte, wiens machtige Europese rijk zich snel over de Griekse eilanden en het vasteland zou verspreiden.

A picture containing water, outdoor, laying, mammal

Description automatically generated

Veel Grieken hingen in die vroege tijd de orfische, op de Egyptische mysteriën gebaseerde godsdienst aan, zodat de Europese cultuur ook daar is geworteld. Een derde wieg staat in het huidige Irak, bij de Soemeriërs en de Mesopotamiërs, waar in het Tweestromenland van de Eufraat en de Tigris het in de Bijbel opgevoerde Paradijs of de Hof van Eden door kenners in de buurt van Babylon of Babel wordt gesitueerd. Het is verder goed te verdedigen dat Europa geografisch is te plaatsen in het gebied dat wordt omgeven door de oceanen in het noorden en het westen, de Zwarte Zee en de bergen van de Kaukasus en de Oeral – Peter de Grote heeft zijn Rusland geheel Europees ingericht − in het oosten en de Sahara in het zuiden.

Binnen deze natuurlijke grenzen zijn de Middellandse Zee en de Zwarte Zee Europese binnenzeeën, en worden alle gewapende conflicten die zich aan het eind van de twintigste en in het begin van de eenentwintigste eeuw in Noord-Afrika, het Midden-Oosten – Egypte, Syrië, Israël, Palestina, Irak – en het Oosten – de Krim, Oekraïne – intern-Europese brandhaarden. En dat terwijl men in de landen van de Europese Unie − het politiek-economisch-militaire Europa − nog het idee heeft dat er, afgezien van een paar lokale opstootjes in Ierland, Spanje en de Balkan, gedurende vijfenzeventig jaar vrede heeft geheerst. Interessante gevolgen van het zo geografisch en mythisch-religieus afgebakende Europa zijn dat de islam, als laatste religieuze loot aan de joods-christelijke stam een Europese godsdienst is, dat Marokkanen en Turken net als Polen, Bulgaren, Roemenen, Irakezen, Egyptenaren, Syriërs, Palestijnen, Israeliërs, Oekrainers en de Russen ten westen van de Oeral Europese burgers zijn en dat het binnen de Europese Unie serieus nadenken over een grexit – een Europa zonder het homerische Griekenland – een absurditeit is, in tegenstelling tot een brexit – een Europa zonder Britten, die met hun buitengewest altijd al hun eigen koers hebben willen varen. Er zullen dus nog heel wat plooien gladgestreken moeten worden voordat het ware Europa zich als eenheid naar buiten zal kunnen presenteren, wat een even moeilijke als interessante en inspirerende opdracht is. Paul Valérie zei het al, waarbij hij de islamitische cultuur geheel ten onrechte buiten beschouwing liet en ook Mohammed in het rijtje had moeten opnemen:

Dit zijn in mijn ogen de drie wezenlijke kenmerken van de ware Europeaan, van iemand in wie de Europese geest zich ten volle kan ontplooien. Overal waar de combinatie van de namen Caesar, Gajus, Trajanus en Vergilius, Mozes en Paulus, Aristoteles, Plato en Euclides betekenis en gezag heeft, daar is Europa. Elk volk, elk gebied dat is geromaniseerd, daarna is gekerstend en zich qua geest voegt naar de discipline van de Grieken, is volstrekt Europees.[20]

Wat de geschiedenis van de politieke, economische en militaire eenwording aangaat hebben zich in de laatste paar eeuwen twee essentiële gebeurtenissen voorgedaan. Eerst werden er in Europa drie nieuwe ideeën ontwikkeld: in de achttiende eeuw de kapitalistische vrije markteconomie door Adam Smith in Engeland, in de negentiende eeuw de communistische geleide staatseconomie door Karl Marx in Duitsland, in welk land in de twintigste eeuw ook het nationaal-socialisme grote aanhang verwierf. Vervolgens werden het kapitalisme en het communisme respectievelijk naar het westen en het oosten geëxporteerd, waarna het in Europa gebleven nationaal-socialisme werd verpletterd tussen de Angelsaksische en Russische legers die in 1945 een uitgeput en in snippers verscheurd Europa achterlieten, dat in een soort dadaïstische collage opnieuw bij elkaar geplakt moest worden: Europa Dada, met als frappant detail dat Zwitserland als de bakermat van de dadabeweging er zelf nog steeds niet echt bij wil horen.

De hernieuwde eenwording van een democratisch bestuurd Europa begon feitelijk met een baanbrekende rol van de Nederlandse regering in ballingschap in 1944 in Londen bij de oprichting van de Benelux, zeven jaar later uitgebreid met West-Duitsland, Frankrijk en Italië tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Deze ging in 1957 over in de Europese Economische Gemeenschap waaraan later Spanje, Portugal, Denemarken, Engeland, Ierland en eindelijk ook Griekenland werden toegevoegd. Tenslotte leidde dat in 1993 met het Verdrag van Maastricht tot de Europese Unie tussen 28 landen. Iedere verdere onderneming in de richting van een verenigd Europa zou gericht moeten zijn op het in overeenstemming brengen van Europa als mythisch-religieuze verscheidenheid en geografische en politiek-economisch-militaire eenheid. Als laatste belangrijk wapenfeit geldt de bijdrage van de Russische president Poetin die met zijn inval in Oekraïne niet alleen een nieuwe en totaal onverwachte Europese oorlog begon, maar ook een hechtere Europese Unie en de uitbreiding van de NAVO met Zweden en Finland heeft bewerkstelligd, en nog enige kandidaten in de wachtrij. Zouden er nu al visionaire politici zijn die daadwerkelijk in die richting denken en oplossingen verzinnen voor alle intern-Europese brandhaarden en voor de hele en halve dictaturen die daar nog heersen? Zou het Europese project werkelijk kunnen slagen door, zoals het adagium luidt, een ‘eenheid in verscheidenheid’ tot stand te brengen met minder macht van de nationale regeringen en meer autonomie voor de etnische deelgebieden? Of zal het – zoals in het Bijbelse verhaal met de toren van Babel gebeurde – door toenemende spraakverwarring en chaos verongelukken, zoals het Habsburgse Keizerrijk door de Eerste Wereldoorlog ten onder is gegaan, en slechts als historisch interessant maar mislukt experiment in de geschiedenis worden opgenomen? Het zou een treurig einde zijn van het Europa waar weliswaar de slavernij is beoefend, boekverbrandingen zijn uitgevoerd, de Inquisitie en de Terreur hebben huisgehouden, en de massaslachtingen bij de Somme en in Auschwitz hebben plaatsgevonden,[21] maar waar ook het humanisme en de Verlichting zijn geboren, beloftevolle revoluties die zich nergens anders in de wereld kónden voordoen. Het is het Europa van de scheiding van kerk en staat, van de trias politica, van de mensenrechten, de vrije meningsuiting en van de in prille, primitieve vorm in Athene uitgevonden democratie. En het is ook het Europa dat door velen aan de periferie en er ver buiten als het beloofde land wordt gezien en waarvan de aantrekkingskracht door oorlog, honger en moderne communicatiemiddelen aangedreven migrantenstromen op gang heeft gebracht.

Toen in 1981 het eerste onderzoek naar het welbevinden van mensen in verschillende delen van de wereld werd gedaan, bleek dat materiële omstandigheden daar geen bepalende factor bij vormden: in het straatarme Nigeria was men toen even tevreden als in West-Duitsland waar het Wirtschaftswunder plaatsvond. Maar vijfendertig jaar later, toen iedereen de beschikking had over een tv-toestel en van het internet gebruik kon maken, kregen Afrikanen en Aziaten de mogelijkheid zich met een muisklik te informeren over hoe men in Europa leeft en hoe het er daar voorstaat met de welvaart, de woonomstandigheden, de voedselvoorziening, het onderwijs en de gezondheidszorg. In de eenentwintigste eeuw vergelijken mensen hun eigen situatie niet meer met die van hun buren, maar met die van andere volken waar ook ter wereld.[22] Hun komst, hoezeer ook met argusogen bekeken, kan ook een verjongingskuur voor het oude, demografisch teruglopende en snel vergrijzende Europa betekenen en een welkome bijdrage leveren aan de door José Ortega y Gasset en de andere denkers in het Interbellum zo innig gewenste gezamenlijke en inspirerende project tot eenwording van net zo goed hun Europa als het onze. Volgens Krastev zijn het:

de miljoenen mensen die vandaag de dag legaal dan wel illegaal de Unie binnenkomen die de Europese geschiedenis van de eenentwintigste eeuw bepalen. Met andere woorden zullen het de migranten zijn die voor een belangrijk deel het lot van het Europese liberalisme in handen hebben.[23]

Wat allerminst hoeft te betekenen dat Europa zal worden ‘overgenomen’ en veranderen in ‘Europastan’ zoals door het populistische deel van de bevolking wordt gevreesd. De migranten weten heel goed waar ze vandaan komen, waarom ze daar, vaak met gevaar voor eigen leven, weg wilden en waarom juist hier naartoe, en willen − afgezien van het onvermijdelijke kaf tussen het koren − graag bijdragen aan een vitaal maar ingetogen Europa zonder neigingen tot verdere expansie. Met het toetreden tot de Europese Unie van voormalige Oostbloklanden als Polen, de Balkanlanden en de Baltische Staten zijn de buitengrenzen van het huidige Rusland wel erg bedreigd en wordt het militaire optreden van de Russen op de Krim en in Oekraïne niet gerechtvaardigd maar wel begrijpelijk: tot hier en nu echt voorlopig even niet meer verder.

Over de politieke inrichting die de Unie verlangt, zowel op nationaal als op Europees niveau, moet blijvend serieus worden nagedacht omdat, zoals ook Ortega y Gasset en Huizinga al uitdrukkelijk hebben betoogd, de democratie in zijn huidige vorm, in het bijzonder door de verschuiving in de richting van het populisme, sleetse trekken begint te vertonen: het perspectief op een verdere Europese eenwording en het recht om verstandig bestuurd te worden laten zich slecht met een directe democratie middels volksreferenda verenigen.[24] Het beleid van een pluriforme Europese Unie kan alleen tot stand komen door omzichtige en zorgvuldige onderhandelingen en het laatste en definitieve ‘woord van het volk’ – dat liefst onmiddellijke bevrediging van momentane behoeften verlangt − door middel van directe democratie maakt dat moeilijk zo niet onmogelijk.[25] Leden noch leiders van populistische partijen denken serieus na over hoe en in welke richting de samenleving moet worden veranderd of waar het met land en volk naartoe moet en proberen het liefst de situatie te behouden zoals die is door het land aan het eigen volk terug te geven, wat betekent dat zij stem geven aan mensen zonder een gezamenlijk project. In dit opzicht past het populisme perfect bij samenlevingen waarvan de burgers vóór alles consumenten zijn en van hun politieke leiders verwachten dat hun wensen op dat gebied zo spoedig mogelijk worden ingewilligd en bevredigd als ze hun positie willen behouden, met weinig tot geen belangstelling voor de toekomst,[26] in het bijzonder het lot van komende mensengeneraties, ofwel hun eigen kinderen.

Maar het handhaven van de bestaande toestand betekent ook stagnatie en de aanzet tot verval, in tegenstelling tot verandering dat beweging en vitaliteit inhoudt. Het populistische gedachtegoed bevat weinig anders dan verzet tegen zowel de veronderstelde ambities van een kansrijke elite ‘die door hun belasting niet te betalen misbruik maakt van de eerlijke meerderheid’, als de kansarme migranten ‘die misbruik maken van de sociale voorzieningen’.[27] Zoals George Orwell het ooit opschreef: ‘De publieke opinie is net zomin aangeboren verstandig als de menselijke natuur aangeboren vriendelijk.’[28] Of een beperking van het algemene stemrecht over alle kwesties ook een verlies voor de democratie zal betekenen mag sterk worden betwijfeld. Europese burgers zijn sowieso niet erg tevreden over hun invloed op de gang van zaken: een onderzoek uit 2012 toonde aan dat een derde deel van de Europeanen denkt geen enkele invloed op de Europese politiek te hebben. Slechts een schamele achttien procent van de Italianen en vijftien procent van de Grieken meent dat hun stem iets bijdraagt aan de politieke situatie in hun eigen land,[29] en in de andere landen ligt dat niet veel anders. Daarbij is de gemiddelde opkomst bij nationale referenda van 71 procent in de vroege jaren negentig teruggelopen tot 41 procent in recentere tijden.[30] Ook volgens een onderzoek van de Duits-Amerikaanse politicoloog Yascha Mounk zijn steeds minder mensen in westerse landen ervan overtuigd dat directe democratie de beste staatsvorm voor hen is. In een aantal door hem geanalyseerde enquêtes werd mensen van allerlei leeftijden in verschillende democratische landen gevraagd hoe belangrijk het voor hen is om in een democratie te leven. Terwijl ongeveer driekwart van de oudere mensen in Engeland, Frankrijk, Australië, Nederland en de Verenigde Staten antwoordde dat het voor hen zeer belangrijk is, bedroeg het aantal positieve antwoorden bij mensen onder de dertig jaar ongeveer een kwart.[31] Tegelijk wordt het aantal mensen dat een meer autoritair alternatief zou steunen steeds groter.
Volgens Huizinga is de belangrijkste voorwaarde voor een effectief en tegelijk zo breed mogelijk gedragen bestuur de door onderwijs verkregen bekendheid met de wortels, de geschiedenis en de mogelijke toekomst van de gedeelde Europese cultuur. In dat opzicht stemt naar de mening van Krastev de huidige toestand van de kennis over Europa bij jonge mensen weinig hoopvol:

Gedeelde herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog zijn bijvoorbeeld al uit het zicht verdwenen: de helft van alle vijftien- en zestienjarige Duitse schoolkinderen weten niet dat Hitler een dictator was, waarbij een derde deel ook nog denkt dat hij de mensenrechten beschermde.[32]

Van sanitair naar milieu

Als verreweg belangrijkste thema bij de vergelijking van het Fin de Siècle met het Fin de Millénaire komen de sanitaire voorzieningen en andere hygiënische omstandigheden voor nadere beschouwing in aanmerking, waarbij we niet veel hebben aan de denkers uit het Interbellum, omdat de daarmee samenhangende milieuproblemen, hoewel reeds spelend in hun tijd, pas in het verdere verloop van de twintigste eeuw manifest zijn geworden.

De toestand aan het eind van de negentiende eeuw valt als volgt samen te vatten: de straat was een open riool en een publieke vuilnisbelt, en kraan, badkamer en watercloset behoorden tot de zeldzaamheden. Hoe vaak men zich waste varieerde van helemaal nooit tot eens per maand, maar in het laatste geval alleen in de zomer en met het ondergoed aan, want naaktheid mocht niet worden aanschouwd, ook het eigen lichaam niet. Het verschonen van lijfgoed hoorde volgens onze normen tot de uitzonderingen: men kwam weken niet uit de kleren. Vlooien, luizen en schurft kwamen algemeen voor en golden, vooral bij kinderen, als teken van gezond bloed. Men stonk, maar dat werd noch voor het openbare, noch voor het intieme leven als een bezwaar gevoeld, want, zo luidde het gezegde, de sterkst riekende bok trekt de meeste geiten.[33] Er was kennelijk maar weinig veranderd sinds Napoleon een eeuw daarvoor bij een bezoek aan zijn eega Joséphine de Beauharnais een bode vooruit liet snellen met een briefje: ‘Ne te lave pas, j’arrive!’ (Was je niet, ik kom eraan!).

Na 1900 veranderde de situatie snel, voornamelijk gedreven door de permanente dreiging van cholera- en tyfusepidemieën. Tegenwoordig zijn er in het welvarende deel van de wereld vrijwel overal gesloten rioleringssystemen, toiletten en badkamers, we baden of douchen en verschonen ons tamelijk overdreven dagelijks en we zien vlooien, luizen en schurftmijten als ongedierte. Het huisvuil wordt meerdere malen per week in plastic zakken afgevoerd en opgetast, ondergegraven of verbrand. Tegenwoordig houden we ons lichaam, onze kleren en huizen − onze eerste, tweede en derde huid – wel schoon en fris, en gezien de winkelschappen vol geparfumeerde toiletdoekjes, antitranspiratiezooltjes, huishoudbacteriedoders, lucht-, oksel-, kruis- en ademverfrissers met lentegeuren, alles in vrolijk gekleurde plastic verpakkingen, zijn we daar ook behoorlijk in doorgeschoten, zozeer zelfs dat we onze eigenhandig uitgeroeide darmflora weer met in het laboratorium gekweekte ‘gezonde’ bacteriën in de drinkyoghurt moeten aanvullen en de wereldzeeën in plastic soep veranderen.

Maar ergens moeten al die rioolbuizen en schoorsteenpijpen toch weer uitkomen en ergens moet het onbrandbare afval weer worden opgetast of ondergespit en daar krijgen we de hygiënische problemen van de negentiende eeuw wegens de economische groei en explosieve bevolkingsaanwas vele malen vergroot terug. De kwaliteit van een aantal primaire levensbehoeften, zoals lucht en water, gaat ondanks lokale verbeteringen gemiddeld in de wereld nog steeds achteruit met de plastic soep in de oceanen als negatieve uitschieter. En op het land bevinden zich in Nederland alleen al naar schatting zeshonderdduizend vervuilde stortplaatsen, waarvan zestigduizend ernstig, en de rest van de bodem is aan het verzuren door de combinatie van overbemesting en regenval. In het op zich toe te juichen streven om met onszelf letterlijk wat meer in het reine te komen, zijn de hygiënische problemen afgewenteld op de rest van de wereld − onze vierde huid − de leefomgeving, het milieu. Rond 1900 was er misschien nog voldoende rek en ruimte om dat betrekkelijk straffeloos te kunnen doen, maar sindsdien is de wereldbevolking vertienvoudigd en is, om een indruk te geven, het aantal auto’s in Nederland toegenomen van tweehonderd tot ongeveer tien miljoen. De grens van de mogelijkheden van de betrekkelijk kleine, gesloten en daardoor kwetsbare wereldhuishouding is bereikt en in een aantal gevallen ook al overschreden, in die zin dat er onomkeerbare veranderingen met onzekere afloop in gang zijn gezet. Daarbij wordt de ernst van de problematiek door de beleidsmakers en andere beslissers nog lang niet voldoende onderkend om op afzienbare termijn een definitieve kentering ten goede te kunnen verwachten. Er wordt weliswaar druk vergaderd over het wereldwijde terugdringen van de uitstoot van kooldioxide als broeikasgas en bestanddeel van zure regen, maar zelfs als de streefgetallen zouden worden gehaald, wat ernstig mag worden betwijfeld, zal dat niet voldoende zijn om de verwachte grote veranderingen in het klimaat – temperatuurverhoging met smeltende gletsjers en ijskappen, ontdooiende permafrost en lokaal langdurige droogte dan wel overmatige regenval tot gevolg − te beteugelen.

Om dat met een typisch Nederlands probleem toe te lichten: er wordt anno 2018 volop gestecheld over hoe de groei van het vliegverkeer op Schiphol – met als belangrijkste oorzaak de toename van de stroom toeristen die het hele jaar door voor een paar tientjes naar alle uithoeken van Europa wil worden vervoerd − moet worden opgevangen, terwijl het enige relevante punt van discussie zou moeten zijn hoe deze meest vervuilende van alle transportmiddelen liefst met onmiddellijke ingang tegen milieuneutrale vergoeding tot het uiterste minimum kan worden teruggebracht, waarbij de trein als redelijk alternatief kan dienen.

In werkelijkheid bestond de goedlachse Nederlandse minister-president het recentelijk om, toen de aan geluidsnormen gebonden grenzen van Schiphol weer eens bereikt waren, niet met een voorstel tot beperking van het vliegverkeer kwam, maar om de economische groei niet te belemmeren de grenzen wilde oprekken en een extra vliegveld in het vooruitzicht stelde.

Om deze reden kunnen de apocalyptici of doemdenkers van het Fin de Millénaire niet zomaar op één hoop worden gegooid met die van de vorige eeuw, en is de getormenteerde uitroep van de decadente edelman Jean des Esseintes in Joris-Karl Huysmans’ in 1884 gepubliceerde roman Tegen de keer: ‘Stort ineen samenleving: sterf, oude wereld’ eerder op onze millenniumwende van toepassing dan op zijn eeuwwende. De eerst dadaïstische, later surrealistische kunstenaar Max Ernst heeft de schaalvergroting van de problematiek bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw even fraai als onbewust in beeld gebracht met het in 1923 geschilderde homo-erotische dubbelportret Castor und Pollution.

A picture containing text, pan

Description automatically generated

Het ‘Pollution’ uit de titel is, naast de allusie naar de naam van Castors tweelingbroer Pollux, door Ernst nog bedoeld als een toentertijd modieuze verwijzing naar het werk van Freud in de zin van masturbatie of zelfbevlekking van de eerste huid, maar kan tegenwoordig evengoed begrepen worden in de betekenis van vervuiling van de vierde huid: het natuurlijke milieu.

De vierde huid

De omstandigheden die het toekomstperspectief van onze leefwereld onzeker maken zijn bijzonder ingewikkeld, maar worden doorgaans met de nodige vereenvoudigingen herleid tot één hoofdoorzaak: de aanhoudende groei van de wereldbevolking. Het aantal menselijke aardbewoners wordt door huidige demografen rond 10.000 voor Christus op vier miljoen geschat en bij het begin van de christelijke jaartelling op ongeveer tweehonderd miljoen, in 1800 waren dat er een miljard, in 1950 2,5 miljard[34] en in 2011 meer dan zeven miljard, waar er per dag 200.000 bijkwamen wat in 2022 tot het totaal van 8 miljard heeft geleid. Dit is mogelijk geworden door met behulp van wetenschappelijke en technische middelen de voedselproductie op te voeren en de preventieve gezondheidszorg te verbeteren waardoor de kinder- en kraamvrouwensterfte even sterk is afgenomen als de levensduur is toegenomen, factoren die moeilijk anders zijn op te vatten dan als zegeningen en daarom ‘christelijke’ waarden vertegenwoordigen die dringend toe zijn aan een herwaardering in nietzscheaanse zin: hoe meer zielen hoe groter de problemen en hoe minder de vreugd.

De toename van de bevolking had voor het eerst merkbare economische invloed toen in de loop van de achttiende eeuw in Engeland voldoende arbeidskrachten beschikbaar waren om de industriële revolutie mogelijk te maken. Tot in de twintigste eeuw groeiden de wereldbevolking en de daaraan gekoppelde productie en consumptie gestaag door, de eerste met een verdubbelingstijd van ongeveer vijfenveertig jaar, wat een verdrievoudiging gedurende een mensenleeftijd betekent, met als enige lichtpuntje dat er in het begin van de eenentwintigste eeuw wereldwijd sprake is van een afvlakking, en in het verdere verloop mogelijk zelfs van een krimp, met uitzondering van Afrika, waar de groei nog steeds aanmerkelijk is en de komende decennia een verdubbeling van 1,2 naar 2,4 miljard bewoners wordt verwacht. Maar omdat de energiebehoefte per hoofd van de bevolking ook nog eens fors stijgt, bedraagt de verdubbelingstijd daarvan ongeveer twintig jaar, wat met de booming economieën in Azië volop aan de gang en met die van Zuid-Amerika in het nabije verschiet wel eens een veel te optimistische schatting zou kunnen blijken te zijn. Dat het ‘verloren continent’ Afrika nog niet in dit rijtje voorkomt, geldt ook nog eens als de grootste schande van onze tijd.

Om te kunnen blijven voorzien in de noden en behoeften van al die miljarden veeleisende mensen, moet er een steeds zwaarder beroep worden gedaan op de weliswaar overvloedige, maar uiteindelijk begrensde mogelijkheden die de aarde te bieden heeft, waardoor de natuurlijke verhoudingen tussen de mens en zijn leefwereld verstoord dreigen te raken. Onze aanwezigheid op de aarde heeft zo langzamerhand de vorm van een plaag aangenomen, en ons gedrag vertoont in een aantal opzichten treffende gelijkenis met dat van de slijmzwam, een levensvorm die een opmerkelijk bestaan leidt op de grens van de ééncellige en meercellige biologie.

A picture containing grass, outdoor

Description automatically generated

De aanvankelijk zelfstandige, maar wandloze cellen verspreiden zich op hun zoektocht naar voedsel als een laag protoplasma over een paardenvijg, hun favoriete voedselbron en verblijfplaats. Als alle voedingsstoffen aan de vijg zijn ontnomen trekt het plasma zich in één punt samen, waarna de eerst gelijkvormige cellen zich ontwikkelen naar verschillende functies en met vereende krachten een zwammetje bouwen waarin sporen met celwanden worden gevormd. Deze laten zich door de wind naar een verse paardenvijg voeren, de oude uitgeput en verdroogd achterlatend, waarna door celdeling op de nieuwe vijg een laag protoplasma wordt gevormd en het hele proces weer van voren af aan kan beginnen.

Als een slijmzwam op een paardenvijg hebben we ons over de aardkorst verspreid en parasiteren we op de onvervangbare natuurlijke grondstoffenvoorraden en energiebronnen. Overal op de aarde − een groene en levende oase in een naar het voorlopig schijnt verder barre en vrijwel lege ruimte − zijn we nadrukkelijk aanwezig en, afgezien van een beperkt aantal door ons ingerichte reservaten, kan de natuur zich nergens meer ongestoord op zichzelf terugtrekken om te herstellen van de door ons toegebrachte schade, noch op het land, noch in het water of in de lucht. Dit moet ons toch tot serieus nadenken stemmen, want hoewel we menen te leven in het tijdperk van de ruimtevaart, kunnen we zeker voorlopig en hoogst waarschijnlijk nooit van de aarde af. Anders dan de sporen van de slijmzwam zijn we niet in staat onze uitgeputte leefomgeving en voedselbron door een eensgezinde onderneming achter ons te laten om een nieuwe te zoeken. De andere planeten van ons zonnestelsel zijn niet comfortabel bewoonbaar en van de vele miljarden sterren in de Melkweg zijn onze naastgelegen buurzonnen Proxima en Alfa Centauri toch nog zo’n 4,2 lichtjaar van ons verwijderd − wat betekent dat mensen vele duizenden jaren door een aan het leven vijandige ruimte zouden moeten trekken om daar te komen – en het dichtstbijzijnde sterrenstelsel, de Andromedanevel, zelfs twee miljoen lichtjaar, en dat is ongeveer vijfhonderdduizend keer zo ver. Het is geen prettig idee, maar onze ambities wat betreft de kolonisatie van de ruimte zullen het stadium van planetair bermtoerisme – een kortstondig bezoek aan de maan of misschien ooit Mars zonder mogelijkheid om terug te keren − nooit kunnen ontstijgen.

Tegelijk met de toename van de bevolking is onze planeet, door onze wetenschappelijke en technische vindingrijkheid op het gebied van productie, transport, communicatie en informatie, tot steeds kleinere afmetingen gekrompen. Terwijl we een kleine twee eeuwen geleden nog dagen per postkoets, trekschuit of te paard, met de rovers nog in het struikgewas op vaak levensgevaarlijke wijze onderweg waren naar een nabijgelegen bestemming en daarom het liefst maar gewoon thuisbleven, transporteren we onszelf tegenwoordig en onze materiële goederen met massale hoeveelheden in fracties van etmalen per vliegtuig en containerschip naar alle hoeken van de wereld en met onze informatie doen we dat per radio, televisie, telefoon, fax, e-mail en internet in fracties van seconden. De zich snel verbredende digitale snelweg zal de vaart waarmee de informatie rondvliegt weliswaar voorlopig niet nog verder verhogen, maar zeker de hoeveelheid aanzienlijk vergroten. Als gevolg van deze technische en elektronische ontwikkelingen zag de Amerikaanse auteur Marshal McLuhan de wereld krimpen tot de grootte van een dorp en introduceerde daarmee in de zestiger jaren van de twintigste eeuw het begrip global village, dat in Dubai een praktische uitwerking kreeg.

Een bijkomend probleem is dat de milieu- en klimaatkwesties, gaande de tweede helft van de twintigste eeuw heel wat minder interesse bij het grote publiek, de politiek en de media wisten op te wekken. De Amerikaanse ex-vicepresident Al Gore wist er in 2007 weliswaar opnieuw de aandacht op te vestigen, maar de wijze waarop dat gebeurde en de gegenereerde follow-up in de vorm van Live Earth, leken eerder op een modieus en dus weer snel vergeten mediagebeuren dan op een wezenlijke verandering in denken en doen. En de in januari 2017 in de Verenigde Staten aan de macht gekomen president Donald Trump noemde de klimaatproblematiek een door de Chinezen in de wereld gebrachte hoax, en trok zich terug uit het klimaatverdrag van Parijs, dat indien het zou worden uitgevoerd al niet veel meer voorstelt dan een doekje voor het bloeden. Democratie, referenda en populisme dreigen de grootste belemmeringen te gaan vormen voor het ontwikkelen van een beleid dat de bedreigingen van de klimaatverandering en de milieuproblemen zal kunnen bezweren.

De coronapandemie had weliswaar een hoopgevende, mede door het vliegverbod veroorzaakte verbetering van de meest vervuilde plekken op aarde tot gevolg, maar toen de beperkende maatregelen door het teruglopende besmettingsgevaar konden worden opgeheven verdrong men zich onmiddellijk weer in lange rijen voor de toegangspoorten op de vliegvelden, ‘omdat het nu toch weer mocht’. Als het om het belang van het natuurlijke milieu gaat vraagt het gebrek aan persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef – of vliegschaamte – kennelijk om dwangmaatregelen van overheidswege.

Wereldbevolking

Omdat de omvang en de groei van de wereldbevolking als de bepalende factoren bij de genoemde problemen worden opgevoerd, is het interessant eens te zien hoe die er tegenwoordig voorstaan.

Uit een door het Fonds voor Bevolkingsvraagstukken van de Verenigde Naties (UNFPA) in 1990 gepubliceerd rapport blijkt dat het gemiddeld aantal kinderen per vrouw in het westerse deel van de wereld rond de millenniumwisseling net onder de twee was gedaald, terwijl een vrouw in de ontwikkelingslanden er momenteel nog gemiddeld vier ter wereld brengt. In Noord-Jemen bezit men het wereldrecord met acht kinderen per vrouw. Op het eerste gezicht lijkt het dus een volstrekt duidelijke zaak dat we ons hier in het Westen intussen afdoende onthouden, voorbehoeden of aborteren en dat er, als we uit de nesten willen raken, snel iets moet gebeuren aan het geboorteoverschot in de derde wereld. Dat zal niet eenvoudig zijn, want door de armoede, de achterstand in ontwikkeling en de economische waarde van een groot kindertal, mag er niet worden gerekend op een al te grote bereidheid daar om te luisteren naar de goedbedoelde westerse adviezen over hoe er met de wereld moet worden omgegaan. Het aanpakken van de armoede in de derde wereld, als mogelijke oorzaak van de getalsmatige bevolkingsgroei, zou een passend alternatief kunnen lijken, maar waarschijnlijk zou ook dat de problemen alleen maar vergroten, omdat onze vierde huid het zeker zou begeven als de miljarden mensen die nu nog op de rand van het bestaansminimum leven, opeens een menswaardiger bestaan gingen leiden, met dezelfde aanspraken op voedsel, energie, grondstoffen en comfort die wij hier in het Westen maken. Als de hele wereldbevolking zou leven volgens de standaard van de Verenigde Staten, was er volgens sommige deskundigen een oppervlakte van viermaal de aarde nodig om alleen al in het voedsel te kunnen voorzien.[35] Daarmee zijn we schijnbaar beland in een onoplosbaar dilemma − zowel het bestrijden als het laten voortbestaan van de armoede in de derde wereld is ruïneus voor het milieu en het klimaat − en lijkt het wachten op het wonder of op de catastrofe waarvan Peter Sloterdijk voorspelde dat die iedereen uiteindelijk wel zal overtuigen, maar door niemand zal worden overleefd.[36]

Ongeveer gelijktijdig met het VN-rapport verscheen het boek The Population Explosion van het Amerikaanse biologenechtpaar Paul en Anne Ehrlich.

Daarin wordt ons voorgerekend dat de belasting van het milieu door een relatief rijke westerling − consumptie, auto’s, was- en vaatwasmachines, airco’s, verwarming, verlichting en reizen − gemiddeld ongeveer 200 maal groter is dan die door een derdewereldbewoner.[37] Dat betekent dat het gemiddelde aantal van twee kinderen per westerse vrouw nog met 200 vermenigvuldigd moet worden om een eerlijke vergelijking met de gezinsgrootte in de derde wereld te maken. In relatie tot de milieubelasting heeft een gezin in de derde wereld dus gemiddeld vier en een gezin in het Westen gemiddeld 400 kinderen, waarmee we het wereldrecord met een factor 50 glansrijk van Noord-Jemen hebben overgenomen. Een andere gangbare maat voor de bevolkingsdruk op het milieu is het oppervlak dat per individu in beslag wordt genomen voor het opbrengen van het voedsel, en dat blijkt dan voor een westerling ongeveer zes maal zo groot te zijn als voor een bewoner van de derde wereld.[38] Daaruit kan geconcludeerd worden dat de bevolkingsdruk op het milieu niet in de eerste plaats wordt veroorzaakt door die paar miljard armoedzaaiers in de derde wereld, ondanks het geboorteoverschot aldaar, maar veel eerder door de in grootte aardig stabiliserende bevolkingsgroep westerlingen die het er wat voedsel en comfort betreft veel te goed van neemt.

En daar zou de draad in de loop van het derde millennium opgepakt moeten worden, waarbij in een moeite door het probleem van massale migratie aan de orde kan worden gesteld, omdat moeilijk verwacht kan worden dat bevolkingsgroepen in verdrogende dan wel onderlopende landen lijdzaam hun dood door de honger of als oorlogsslachtoffer tegemoet zullen blijven zien. Nu staat iedere immigrant in het Westen die de hier heersende levensstandaard overneemt qua belasting van het milieu nog gelijk aan een toename van de bevolking in de Derde Wereld met 200. Ook dat wordt op den duur steeds moeilijker op te brengen, zodat we hier in feite veel meer naar de levensstandaard van de Derde Wereld toe zullen moeten, waarbij we er maar stilzwijgend van uitgaan dat we de beschaving kunnen opbrengen niet naar het paardenmiddel van het cordon sanitaire te grijpen: een ijzeren gordijn rond het Westen met de bedoeling iedere indringer buiten te houden, desnoods met geweld, om alleen dáár de catastrofes te laten plaatsvinden en zodoende híer het wonder te laten geschieden, ongeveer zoals Trump – ‘America first, America first!‘ – zich de muur tussen de VS en Mexico voorstelde.

Maar de verschuiving van de aandacht van de bevolking in de westerse wereld naar het ideeëngoed van populistische politieke partijen doet vooralsnog het tegendeel vrezen en moeten we onder ogen zien dat er sinds het vallen van de Berlijnse Muur in Europa 1200 kilometer aan muren zijn of zullen worden bijgebouwd om de eigen bevolking binnen dan wel de vreemdelingen buiten te houden.[39] De mooie droom van een grenzenvrije Europa wordt stilaan vervangen door de grimmige werkelijkheid van een gebarricadeerd continent.[40] als moderne versie van de muur van Hadrianus, waarmee de Romeinse keizer de Schotten wilde tegenhouden.

Als wij onze levensstandaard niet uit vrije wil beheerst omlaag weten te brengen, houden we de reële mogelijkheid open dat het vanzelf op een ongecontroleerde wijze gaat gebeuren en dan met veel ernsti­ger gevolgen, schrijven de Ehrlichs in hun boek vol met deprimerende gegevens en getallen. Alleen de passage waarin de auteurs aanbevelingen doen voor hoe een ieder persoonlijk kan bijdragen aan een beter milieu door het beperken van de wereldbevolking is wel grappig: eerst zelf hooguit twee kinderen nemen en dan druk uitoefenen op de sociale omgeving hetzelfde te doen door na het tweede kind geen geboortepresentjes meer te geven.[41] Zo doorredenerend zou het probleem van de vergrijzing van de samenleving kunnen worden opgelost door niemand boven de zeventig nog met zijn verjaardag te feliciteren. Maar als we hierover uitgelachen zijn, kunnen we weinig anders dan vaststellen dat de crises – de financieel-economische crisis, de migrantenstromen en de virus- en bacterie-infecties − waar we in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw mee te maken hebben wel eens de voorboden zouden kunnen zijn van een veel grotere catastrofe op het gebied van klimaat en milieu. In dat licht bezien zouden we er beter aan doen de economische teruggang vanaf 2008 in het Westen op te vatten als een door God of de voorzienigheid gegeven zegen en niet moeten proberen de economie weer aan de praat en de welvaart weer aan het groeien te krijgen, maar ons te richten op een betere verdeling van de nog steeds overvloedige middelen, maar ook dat lijkt in een tijd van politiek populisme en complotdenken geen haalbare kaart. En dat blijkt voor de crisis door de coronapandemie eens te meer.

Een veel optimistischer kijk dan de Ehrlichs, meer gelijkend op die van Weber, heeft de Amerikaanse taxichauffeur, psycholoog, ondernemer, econoom en invloedrijk adviseur van de regering inzake bevolkingsvraagstukken Julian Simon, die vindt dat het ons beter gaat dan ooit en nog veel meer goeds in het verschiet ziet: ‘Alles zal steeds beter gaan, daar durf ik om te wedden.’ Aanvankelijk doemdenker viel het Simon door het bestuderen van de geschiedenis op dat er van de vele rampen die er zijn voorspeld maar weinige ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, reden voor hem om zijn eerdere mening in te ruilen voor de tegengestelde: nog nooit heeft de mensheid er zo rooskleurig voorgestaan als juist tegenwoordig. We zijn rijker dan ooit, ook gezonder dan ooit, hebben meer te eten dan ooit en leven langer dan ooit, dus wie nu nog zeurt is een kniesoor.

Graphical user interface

Description automatically generated

De historische voorbeelden waaraan Simon zijn optimisme ontleent zijn op zich alleszins overtuigend. Zo’n drieduizend jaar geleden leidde het tekort aan tin, nodig om brons te maken, niet tot de ondergang van de Griekse beschaving, maar tot de overgang naar het ijzertijdperk; in de zestiende eeuw leidde het tekort aan hout tot het gebruik van steenkool; de schaarste aan walvisolie leidde halverwege de negentiende eeuw tot het winnen van aardolie. En zo zal iedere nieuwe schaarste de mens ook steeds weer tot nieuwe ideeën en oplossingen brengen en er is geen enkele reden om aan te nemen dat er aan de reeks nieuwe mogelijkheden ooit een eind zal komen. Sterker nog, stelt Simon, als er meer mensen zijn zullen er ook meer intelligente mensen zijn, zodat er meer nieuwe en betere ideeën zullen ontstaan waarmee onze problemen sneller kunnen worden opgelost. Bevolkingstoename zal derhalve juist leiden tot een steeds rooskleuriger toekomst, in plaats van een rampzalige. De vergelijking met de slijmzwam gaat volgens Simon niet op, omdat de mens zich daarvan onderscheidt door zijn hersenen, die steeds voor nieuwe, creatieve oplossingen kunnen zorgen, waardoor de aarde voor de mens geen eindige maar een oneindige bron van nieuwe en goede mogelijkheden is. In ieder geval hebben de verkoopcijfers van zijn boek laten zien dat zijn persoonlijke economische toestand er aanzienlijk beter van werd.

Waar Simon niet bij stilstaat is dat als er bij bevolkingsgroei een stijging is van het aantal slimme mensen plaatsheeft, de hoeveelheid domme mensen met een veelvoud daarvan zal toenemen. Maar hij is zo overtuigd van zijn gelijk dat hij openlijk weddenschappen is aangegaan met zijn meest prominente tegenstanders. Als grondstoffen en voedsel schaars worden, zei Simon in 1980, dan zullen graan, olie, kolen, hout en metalen volgens de zwartkijkers in prijs moeten stijgen, terwijl die volgens hem juist zou gaan dalen. Zijn grote opponent, de hiervoor opgevoerde ecoloog en schrijver van groene bestsellers als The Population Bomb en The Population Explosion Paul Ehrlich, nam de uitdaging honend aan en verloor: de prijs van vijf door het tweetal geselecteerde metalen − chroom, koper, nikkel, tin en wolfram − bleek tien jaar later inderdaad gedaald als gevolg van het onder druk van de dreigende schaarste vinden van nieuwe voorraden en het ontwikkelen van alternatieven, zoals plastics, keramische materialen en glasfiber.[42] Ehrlich heeft zonder verder commentaar een getekende cheque met het verloren geldbedrag opgestuurd, maar op de vraag of hij nu ook voor Simons standpunt is gewonnen antwoordt hij met stelligheid van niet. Simon is, volgens Ehrlich, als de man die van het Empire State Building naar beneden is gesprongen en bij het passeren van de tiende verdieping beide duimen omhoog steekt en roept dat het steeds beter gaat, en laten zijn historische voorbeelden zich moeilijk naar de toekomst extrapoleren. Inderdaad heeft de Griekse beschaving zich met ijzer uit de bronsschaarste weten te redden, maar is duizend jaar later alsnog ten onder gegaan, waarschijnlijk door onoordeelkundig gebruik van het natuurlijke milieu, wat bodemerosie en − ditmaal onoplosbare − voedselproblemen tot gevolg had. Volgens de beschrijving van de Romeinse auteur Gajus Plinius de Oudere in zijn Natuurlijke Historiën ‘ontstonden er noodlottige overstromingen na het vellen van de bergbossen die gewoonlijk de wolken tegenhielden en van hun water leefden.’[43] Tweeduizend jaar daarvoor was het onoordeelkundig gebruik van het natuurlijke milieu volgens Louise Fresco ook al de belangrijkste reden voor het verval van het Soemerische rijk:

Steeds grotere oppervlakten land werden ontgonnen, steeds vaker werd er met teveel water bevloeid – alles om de handel in voedsel naar de rest van het Midden-Oosten te voorzien. Lang hield deze expansie niet stand. Verzilting en uitdroging van de landerijen langs de rivieren waren het gevolg van wat we nu onduurzame praktijken zouden noemen. In enkele tientallen jaren verviel de draagkracht van de graanvelden tot bijna niets.[44]

Maar Julian Simon blijft optimist en is behalve ijverig − op zijn literatuurlijst prijken meer dan tweehonderd titels van publicaties − ook intelligent genoeg om de argumenten te vinden waarmee hij zijn optimisme kan rechtvaardigen. Los van het feit dat het plastic dat ons uit een vorige crisis heeft gered nu voor een grotere crisis aan het zorgen is omdat het versnipperd in microvorm de ingewanden van vissen en vogels verstopt en het oppervlak van de oceanen bedekt, blijft er hoe dan ook nog een ander groot bezwaar aan zijn verhaal kleven: het kan alleen met goed fatsoen worden verteld in het nog steeds welvarende Westen. Wie zijn ideeën over hoe goed het ons gaat aan de Derde Wereld probeert voor te leggen, loopt grote kans op onbegrip te stuiten en de wind van voren te krijgen. Emil Cioran is zelfs van mening dat het decadente Westen zijn kracht door de aanhoudende voorspoed in dit Fin de Millénaire heeft verloren en binnen afzienbare tijd door de getergde en geharde derdewereldbewoners onder de voet gelopen zal worden:

Hoe de toekomstige wereld er ook uitziet, de westerlingen zullen er de rol in spelen van de Grieken in het Romeinse rijk. Zij worden bewonderd en geminacht door hun nieuwe overwinnaars. Om indruk te maken hebben ze niets anders dan hun acrobatische intelligentie of de schmink van hun verleden.[45]

Het zou inderdaad zomaar kunnen dat de stoet van economische vluchtelingen richting Europa – ‘gelukszoekers’, alsof de behoefte aan voldoende voedsel, water, lucht en veiligheid een luxeprobleem is – in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw slechts het begin vormt van een komende veel grotere volksverhuizing. Pikant is dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat Ehrlich en Simon het wat betreft hun weddenschap allebei mis hadden, omdat de grondstofprijzen in het decennium dat de weddenschap plaatsvond stegen en daalden als gevolg van een macro-economische recessie en een slechte indicatie waren voor de toestand waarin de wereld zich bevond: ‘Ehrlich en Simon hadden net zo goed een muntje kunnen opgooien en allebei de overwinning kunnen opeisen.’[46]

Louise Fresco bekleedt een middenpositie tussen Ehrlich en Simon in die zin dat zij zeker oog heeft voor de deplorabele toestand van (sommige delen van) de wereld, maar geen zegen verwacht van doemscenario’s zonder uitzicht op een nieuw begin:

Wie wil ziet de tragedies overal: in de teloorgang van het platteland, de aantasting van het landschap, de snelwegen en de industrieterreinen, de vervuiling en armoede in de hedendaagse sloppenwijken en de verdwijning van de wildernis. Maar met etiketten als mondialisering en uitbuiting komen we echter niet verder; ze zijn te simplistisch en tegelijk te negatief. De mens vernietigt en de mens bouwt op. Dat is letterlijk al zo sinds mensenheugenis.[47]

Of dat in het huidige Fin de Millénaire ook zo zal gaan ziet zij als een welles-nietesvraag waarover we – gezien de onvoorspelbaarheid van de toekomst en de invloed die iedere voorspelling op het toekomstige resultaat heeft − alleen kunnen speculeren en waarvan de optimistische versie van het antwoord de huidige slachtoffers weinig soelaas biedt. De allereersten die de crisis voelen zijn degenen die onvoldoende voedsel kunnen kopen of verbouwen, behoefte hebben aan economische groei en werkgelegenheid en weinig kopen voor de mooie praatjes dat er op wetenschappelijke gronden geen schaarste hoeft te zijn. Maar ze hebben nog minder aan apocalyptische denkers die de ondergang van de planeet voorspellen,[48] waarmee Fresco niet wil zeggen dat de apocalyptici geen enkele functie te vervullen hebben omdat hun doemscenario’s ook evolutionaire voordelen bieden: ‘We schrikken en leren ervan.’[49] Voor de Duitse filosoof Günther Anders is dat precies de reden om tot de nieuwe apocalyptici te gaan behoren:

We krijgen de kans de rol van een nieuw soort apocalyptici te spelen, namelijk ‘profylactische apocalyptici’. We onderscheiden ons niet alleen van de joods- christelijke apocalyptici omdat we bang zijn voor het einde (waar zij op hadden gehoopt), maar vooral omdat onze apocalyptische passie geen ander doel heeft dan de Apocalyps te verhinderen. Apocalyptisch zijn we enkel om ongelijk te krijgen. Enkel om elke dag weer te genieten van de kans voor schut te worden gezet.[50]

Een andere apocalyptische variant wordt verdedigd door de Nederlandse filosoof Lisa Doeland die geen uitweg meer ziet uit de milieucrisis en vindt dat de tijd en de energie die er nog wordt gestopt in het voorkomen daarvan verloren is, zodat we er beter aan zouden doen te bedenken hoe we een apocalyps, die hoe dan ook gaat plaatsvinden, zo goed mogelijk kunnen doorkomen.1

  1. Lisa Doeland, Apocalypsofie. Over recycling, groene groei en andere gevaarlijke fantasieën. Ten Have, 2023.

Bruno Latours ‘grote ecologische oorlogsmuseum’

Günther Anders’ Franse vakgenoot Bruno Latour probeert evenzeer met zijn doemscenario’s schrik aan te jagen en de mensen er daardoor van te overtuigen dat er snel gehandeld moet worden, hoewel het zijns inziens daarvoor mogelijk al te laat is. In zijn in het Nederlands vertaalde boek Oog in oog met Gaya – waarin hij een poging onderneemt James Lovelocks gayahypothese door filosofische onderbouwing van de vermeende zweverigheid te ontdoen − meldt hij dat wij sinds het midden van de vorige eeuw weten met de klimaatproblemen in een alomvattende oorlog verwikkeld te zijn, maar dat we, terwijl de sirenes om ons te waarschuwen sindsdien de hele dag loeien, blijven volharden in de mening en de houding dat er weinig tot niets aan de hand is. In weerwil van het lijstje van fenomenen waarmee we dagelijks worden geconfronteerd – smeltend poolijs, ontdooiend permafrost met enorme hoeveelheden moerasgas tot gevolg, stijgend niveau van de oceanen, voortdurend toenemend CO2-gehalte in de atmosfeer, verdrogende en verdorrende landschappen, overstromende rivierdelta’s, massaal verdwijnende planten- en diersoorten en steeds maar weer het gemiddeld over de wereld genomen warmste jaar sinds de eerste meteorologische waarnemingen – blijven we verbazingwekkend kalm, terwijl we, als we de berichten toentertijd meteen serieus hadden genomen, al lang bezig hadden moeten zijn met het roer drastisch om te gooien:

We zouden zijn begonnen met het veranderen van ons voedingspatroon, onze woonomstandigheden, onze transportmiddelen, onze landbouwtechnieken, kortom onze hele manier van produceren. Telkens wanneer de alarmsirenes zouden hebben gezwegen, zouden we haastig uit onze schuilplaatsen zijn gekomen om nieuwe technieken te verzinnen waarmee de dreiging het hoofd zou kunnen worden geboden.[51]

Als we tijdig actie hadden ondernomen zou de crisis volgens Latour al lang en breed zijn bezworen en zouden we met voldoening achterom hebben kunnen kijken naar de tijd van de ‘grote ecologische oorlog’ als degenen die zelf ternauwernood de dans zijn ontsprongen, maar de precaire situatie in hun voordeel hebben weten om te buigen ‘door snel te reageren en door de volle reikwijdte van hun inventiviteit te mobiliseren’:

Misschien zouden we onze kleinkinderen zelfs musea laten bezoeken die aan dat gevecht zouden zijn gewijd, in de hoop dat ze even verbluft zouden zijn over de vooruitgang die we hadden geboekt als wanneer kinderen tegenwoordig zien hoe de Tweede Wereldoorlog de stoot gaf tot het Manhattanproject, tot de grootschalige productie van penicilline of tot de bliksemsnelle vooruitgang van de radartechniek en het luchtvervoer.

Latour is zeker niet de enige die ons van nalatigheid op ecologisch gebied beschuldigt, want de schrijver van internationale bestsellers over de geschiedenis en de toekomst van de mensheid Yuval Noah Harari is dezelfde mening toegedaan:

De mensheid heeft dit gevaar pas laat ingezien en er tot nu toe heel weinig aan gedaan. Ondanks alle berichten over vervuiling, opwarming van de aarde en klimaatverandering hebben de meeste landen nog geen enkel serieus economisch of politiek offer gebracht, om de situatie te verbeteren. Als het aankomt op de keuze tussen economische groei en ecologische stabiliteit gaat de voorkeur van politici, CEO’s en kiezers bijna altijd uit naar economische groei. Dat zullen we in de eenentwintigste eeuw anders moeten aanpakken als we rampen willen vermijden.[52]

Maar we hebben nagelaten om tijdig en adequaat te reageren, schrijf Latour verder, zodat we nu een totale oorlog blijken mee te maken zonder dat we dat tot ons hebben laten doordringen en gaan we nu gebukt onder de last van een ingrijpende gebeurtenis die zich goeddeels reeds in het verleden heeft voltrokken:

Als we ons erover verbazen (…) hoe Europa zich in augustus 1914 bij vol bewustzijn in de Grote Oorlog stort, hoe zouden we ons er dan niet over verbazen achteraf te vernemen met hoeveel nauwkeurige kennis van oorzaken en gevolgen Europa zich in die andere Grote Oorlog heeft gestort, waarvan we verbijsterd vernemen dat hij al zou hebben plaatsgevonden – en dat we hem waarschijnlijk al hebben verloren.[53]

Ook de historicus David Wallace-Wells uit zich in zijn boek De onbewoonbare aarde in krijgskundige termen als hij stelt dat een catastrofale klimaatverandering alleen kan worden afgewend als de hele wereld zich mobiliseert, net zoals Amerika dat in de Tweede Wereldoorlog heeft gedaan:

Maar die ambitie staat zo haaks op wat vrijwel overal op de wereld op dit moment politiek haalbaar is dat je je grote zorgen moet maken over wat er gebeurt als die mobilisatie niet van de grond komt – niet alleen met de planeet, maar ook met de politieke betrokkenheid van de mensen die zich het meest met dit probleem bezighouden.[54]

En in een interview in 2019 gebruikte de econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz ook al de oorlog als metafoor voor de strijd die er binnenkort zal moeten worden gevoerd: ‘Klimaatverandering is onze nieuwe Wereldoorlog.’[55]

Maar juist een fatalistische voorstelling van zaken kan mensen er toe brengen iedere vorm van noodzakelijk handelen met altijd nare gevolgen als kansloze missie af te doen en is het de vraag of Peter Sloterdijks standpunt dat we inderdaad geen enkele kans meer hebben, maar dat we die desalniettemin met twee handen moeten aangrijpen daar nog verandering in kan aanbrengen. Hoe groot de onvermijdelijke catastrofe zal zijn, schrijft Wallace-Wells, hangt alleen maar af van hoeveel we in de bestrijding willen investeren en hoe snel we dat willen doen.[56] Voorlopig blijft er een reële kans bestaan dat we een ramp gaan meemaken die is te vergelijken met de ondergang van de Titanic, het reuzenschip dat niet kon zinken maar tot ieders verbazing op de eerste reis toch ten onder ging, terwijl het dansorkest aan boord nog een vrolijk deuntje speelde. Alleen kan de directe oorzaak dit keer geen ijsberg zijn die over het hoofd is gezien, want die zijn allemaal al gesmolten.

Het derde millennium

Toch plaatst de in de praktijk onontkoombare politieke keuze tussen de scenario’s van de Ehrlichs en Simon ons in het derde millennium voor een levensgroot dilemma, dat door een aanhoudende reeks van nieuwe publicaties pro en contra steeds actueel wordt gehouden. Na het Rapport van de Club van Rome en de boeken van Simon en Ehrlich, verscheen er in 1998 in het Deens het boek The Skeptical Environmentalist; Measuring the Real State of the World, waarin de auteur Bjørn Lomborg, een adept van Simon en net als hij een voormalige milieuactivist en op zoek naar nieuwe publicitaire aandacht, de optimisten een hart onder de riem steekt. Maar in 2002 kondigde een groep internationale onderzoekers in hun rapport Tracking the Ecological Overshoot of the Human Economy weer aan dat de mens de capaciteit van de aarde echt nog steeds met twintig procent overvraagt en daarmee serieuze problemen over zich aan het afroepen is.

Ten aanzien van de mogelijke schuldvraag met betrekking tot verband met de klimaatverandering valt een vergelijkbare periodieke beweging waar te nemen: vaak wordt door wetenschappelijke onderzoekers de mens als belangrijkste oorzaak aangewezen, maar met even grote regelmaat worden daar ook weer vraagtekens bij geplaatst, wat het realiseren van een enigszins slagvaardig beleid behoorlijk in de weg zit. Volgens de hoogleraar economie van het klimaat Richard Tol wordt er weliswaar veel gepraat – in 2011 werden er maar liefst vier conferenties gehouden en nog 97 andere officiële bijeenkomsten – maar is er hoofdzakelijk veel bereikt voor de deelnemers: een vaste baan, promotiekansen, wereldreizen, eindeloos gediscussieer, stapels nota’s en er zijn zelfs mooie huwelijken uit voortgekomen[57] − maar voor het klimaat heeft dit circus nog veel te weinig opgeleverd, en daar zal gezien de recente politieke ontwikkelingen voorlopig niet veel aan veranderen. Als voorbeeld van Tols visie vond er in november 2017 – het derde opeenvolgende warmste jaar ooit met de hoogste uitstoot aan CO2 − als vervolg op de Klimaatconferentie van Parijs 2015 en als aanloop naar de Klimaatconferentie van Katowice 2018 de 23ste Klimaatconferentie van de United Nations Framework Convention on Climate Change plaats in Bonn. Er werd na elf dagen discussiëren enige vooruitgang geboekt over de richtlijnen voor de uitvoering van het Akkoord van Parijs, maar het thema van de fossiele brandstoffen werd grotendeels doorgeschoven naar de Klimaatconferentie van 2018. Vooral de Fiji-eilanden – die wegens de stijging van de zeespiegel onder water dreigen te verdwijnen – en de door langdurige droogte en voedseltekorten geteisterde ontwikkelingslanden drongen aan op een ambitieus klimaatbeleid, teneinde de opwarming van de aarde beneden de twee graden te houden. Verschillende politieke leiders spraken zich uit over hun toekomstige plannen: de Duitse bondskanselier Angela Merkel stelde het opgeven van bruinkool als brandstof in het vooruitzicht, de Franse president Emmanuel Macron beloofde financiële steun aan het Intergovernmental Panel on Climat Change, en volgens de secretaris-generaal van de VN António Guterres moeten de ambities met name op de actiegebieden ‘emissies’ en ‘leiderschap’ verhoogd worden. De Verenigde Staten schitterden door afwezigheid en China stelde zich vooral terughoudend op, terwijl er voor en tijdens de conferentie buiten de vergaderzalen door milieubewegingen werd gedemonstreerd voor een snellere overgang naar klimaatvriendelijker en duurzamer energiebronnen.[58]

Het in 2023 verschenen rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change ‒ een samenvatting van drie IPCC-rapporten met tienduizenden onderliggende wetenschappelijke artikelen ‒ constateert dat de aarde sinds het einde van de 19e eeuw met 1,1 graden is opgewarmd. Sommige effecten, zoals het verder smelten van ijskappen en het stijgen van de zeespiegel, zijn al onomkeerbaar. Wat de situatie in Nederland betreft stelt de hoofddirecteur van het KNMI Maarten van Aalst:

Het rapport laat zien dat klimaatverandering urgenter is dan ooit. Ook in Nederland zien we de gevolgen: het is al 2,3 graden warmer en hebben we te maken met overstromingen in Limburg, honderden doden door hittegolven en enorme kosten van de afgelopen droge zomers. Het IPCC laat zien dat het nog net niet te laat is om de ergste gevolgen te vermijden, maar dan moet de uitstoot van broeikasgassen sneller naar beneden en moeten we ons beter aanpassen aan de gevolgen.

Of ook het weer als dagelijks manifestatie van de klimaatverandering gevoelig is voor ronde data, zoals de vooraanstaande Britse klimatoloog Hubert Lamb dat op basis van zijn onderzoek naar weersgesteldheden rond eeuwwenden meende te kunnen vaststellen,[59] is uiterst twijfelachtig en moeilijk te bewijzen. Maar feit is wel dat het in het begin van de eenentwintigste eeuw harder en langer gestormd heeft dan gemiddeld: in de zomer van 2005 raakten de meteorologen door hun standaardlijst van tien vrouwennamen voor tropische orkanen heen – Katrina, die een deel van New Orleans heeft weggespoeld, was de elfde − en moest er voor de verdere benaming bij wijze van noodmaatregel worden overgegaan op het Griekse alfabet. In de jaren daarna is er weliswaar geen sprake meer van een significante toename van het aantal orkanen, maar blijken ze wel – gezien de vernietigende uitwerking van Harvey en Irma in 2017 in het Caribische gebied – aanzienlijk in kracht toegenomen. Voor Nederlanders is het van belang onder ogen te zien dat er na de verwachte zeespiegelstijging in de eenentwintigste eeuw bij een dijkdoorbraak als gevolg van een extreme stormvloed ongeveer driekwart van het land, waaronder vrijwel de hele Randstad, onder water zal verdwijnen, wat wegens de hoge bevolkingsdichtheid een ongekend grote migrantenstroom op gang zal brengen. We zullen ons nu al serieus moeten afvragen waar we vanuit ons klimaatgevoelige land dan heen zullen kunnen gaan en wie ons welkom zullen heten.

De groenhemden komen

Toen in 1972 het eerste rapport van de Club van Rome Grenzen aan de groei verscheen, bracht dat heel wat opschudding en verslagenheid teweeg. Met behulp van een betrekkelijk eenvoudig – naar later bleek veel te eenvoudig – computermodel werd de ontwikkeling van vijf voor de kwaliteit van de samenleving bepalende factoren: bevolkingsgroei, voedselproductie, vervuiling, industrialisatie en uitputting van natuurlijke hulpbronnen, in de toekomst voorspeld. De uitkomst was zonder meer schokkend te noemen: als we zouden doorgaan zoals we bezig waren, moest zo niet de hele wereld maar in ieder geval de menselijke niche er binnen de kortste keren aan geloven.[60]

Daar moest dus snel verandering in komen en de meest klemmende vraag sindsdien is dan ook hoe het beleid omgebogen kan worden, en of de ontwikkelingen die ons bestaan bedreigen kunnen worden bijgestuurd in een richting met meer toekomstperspectief. In een democratisch bestierd deel van de wereld als het onze mag dan verwacht worden dat de verschillende politieke instanties de noodzakelijke maatregelen tot verandering zullen inventariseren, voorleggen en vervolgens zorg zullen dragen voor de uitvoering en naleving daarvan, maar toen in 1991 het vervolgrapport De wereldrevolutie uitkwam, was de boodschap nog net zo alarmerend als de voorgaande, waarbij als hoofdoorzaak het egocentrisme van de rijke landen werd aangewezen. In negentien jaar tijd was het de politiek niet gelukt enige verandering tot stand te brengen omdat men liever naar stemmenbehoud streefde om op het pluche te kunnen blijven zitten. Weer zestien jaar dus in totaal een hele mensengeneratie van 35 jaar later toen het daar weer op volgende rapport verscheen, stond er ook weinig nieuws in waarop we ons zouden kunnen verheugen, net zomin als in het IPCC-rapport uit 2023. Maar aan het beleid dat met betrekking tot het milieu geen verandering in onze leefomstandigheden heeft kunnen bewerkstelligen hebben we wel democratisch onze goedkeuring gehecht. Als dat betekent dat we met meerderheid van stemmen op een dergelijke crisis aan het aansturen zijn, zouden we binnenkort wel eens gedwongen kunnen zijn een onvoorwaardelijke keuze tussen democratie en onze leefwereld te maken.

Sommigen hebben dat ook al gedaan: de kennelijke onmacht of onwil van de gevestigde politieke structuren om de noodzakelijke veranderingen te bewerkstelligen heeft inmiddels het ontstaan van allerlei buitenparlementair en ondemocratisch verzet opgeroepen. Bekend zijn de tot veler verbeelding sprekende acties van Greenpeace – internationaal vertegenwoordigd in vijfenvijftig landen met in 2018 wereldwijd 3.2 miljoen donateurs en meer dan 35.000 actieve vrijwilligers − en de bezettingen van verkeerswegen door Extinction Revellion,maar daarnaast zijn er ook de veel minder speelse groepen en groepjes die zich vol overgave op een diversiteit aan deelproblemen hebben geworpen: proefvelden met genetisch gemanipuleerde gewassen worden vernield, voorstanders van kernenergie worden geïntimideerd, en op het aanverwante terrein van het dierenactivisme worden bontloodsen in brand gestoken, gefokte nertsen bevrijd en varkensstallen bezet. Het zijn slechts voorboden, maar de voorwaarden voor escalatie zijn wel nadrukkelijk aanwezig, zeker nu de jeugd zich geheel terecht het kind van de rekening begint te voelen en zich steeds meer en luidruchtiger in de protesten begint te mengen.

TOPSHOT – Swedish climate activist Greta Thunberg speaks during a climate strike demonstration of Fridays for Future in Stockholm, Sweden, on October 22, 2021. – Sweden OUT (Photo by Erik SIMANDER / TT News Agency / AFP) / Sweden OUT (Photo by ERIK SIMANDER/TT News Agency/AFP via Getty Images)

Als de naderende crisis zich scherper gaat aftekenen, zal wie zelf de discipline niet kan opbrengen om de auto te laten staan, de vliegvakanties achterwege te laten, het nageslacht tot het uiterste minimum te beperken en drastisch op consumptie en energie te bezuinigen, maar wel overtuigd is geraakt van de noodzaak daarvan, zich daar des te makkelijker toe laten dwingen. Nietzsche heeft immers al beweerd dat wie niet in staat is zichzelf te bevelen, genoodzaakt is te gehoorzamen. En als de gevestigde, democratisch gekozen politieke structuren die gehoorzaamheid niet kunnen afdwingen op basis van argumenten, dan zijn dat wel de verenigde groepen en groepjes die menen onder de druk van de omstandigheden het recht in eigen hand te mogen en ook te moeten nemen. In deze situatie dringt zich vooral de zorg van de Engelse filosoof Thomas Hobbes op dat ‘als er geen tiran heerst om de mens tot orde te dwingen, er dan een oorlog uitbreekt van allen tegen iedereen’.

In de groene anti-utopie die daar op weg naar de eeuwwende 2100 uit zal zijn ontstaan wonen er mensen in uitgestrekte en ongerepte natuurgebieden. Regenboogforellen schieten er heen en weer in klaterende, kristalheldere beekjes die door het weelderig beboste en bebloemde en door een diversiteit aan diersoorten bewoonde landschap kronkelen, de lucht is helder en zuiver en de vogels kwinkeleren en tierelieren dat het een lieve lust is. Toch zijn de mensen er niet zo gelukkig als de omstandigheden ons zouden doen verwachten. Vanwege het verbod op stedelijke bebouwing en gemotoriseerd verkeer op het land, in de lucht en over het water, moet er heel wat worden voortgeploeterd en afgesjouwd over paden die aan weerszijden geflankeerd zijn door een rij prullenbakken, voorzien van bordjes met de tekst dat het wegwerpen en achterlaten van afval anders dan in de daarvoor bestemde bakken op een fikse straf komt te staan. Daarom wordt het natuurgebied scherp in de gaten gehouden door een netwerk van camera’s en een batterij gewapende boswachters – de groenhemden − die door hun camouflagepakken maar moeilijk van hun omgeving zijn te onderscheiden. Het komt dan ook regelmatig voor dat personen die in een dartele bui per ongeluk in het struikgewas langs de weg zijn beland, onmiddellijk door een onverwacht opduikend groenhemd hardhandig weer op het rechte pad worden gezet. Dat maakt het verblijf buitenshuis niet bepaald tot een pretje, zodat de meeste mensen, ook als de zon schijnt, liever binnen blijven om met hun vrienden en kennissen te communiceren via het interactieve computernetwerk. Maar ook in dat geval is het verstandiger al te milieu-onvriendelijke uitlatingen achterwege te laten om het bezoek van een elite-eenheid van de groenhemden – ook van ver al te herkennen aan de rode armband met een zwart ban-de-bom symbool in een witte cirkel − te voorkomen, en kunnen we er eens te meer alleen maar blij om zijn dat de toekomst zo moeilijk voorspelbaar is.

Het gebrek aan voorspelbaarheid betekent overigens niet dat we – conform Spenglers idee van noodzakelijkheid − de geschiedenis net zo goed op haar beloop kunnen laten en zullen we het wat onze acties betreft moeten doen met wat we denken te weten. Wat we kunnen kennen, sprak Immanuel Kant, is wat we kunnen kennen, en toegepast op de keuze tussen Ehrlich en Simon weten we dan alleen maar zeker dat als we Ehrlich geloven en Simon gelijk krijgt, we ons voor niets zorgen hebben gemaakt, maar als we Simon geloven en Ehrlich gelijk krijgt, ons nageslacht in het nieuwe millennium met de duimen omhoog aan de voet van het Empire State Building te pletter zal vallen. Dat geeft ons toch een praktisch selectiecriterium waarmee we ons achteraf niet voor onze keuze zullen hoeven te schamen zoals dat een van Michel Houellebecqs protagonisten overkwam:

Het was drie uur ’s ochtends, plaatselijke tijd; het jaar 2001 was net begonnen. In Parijs zou de officiële overgang pas over drie uur plaatsvinden; in Teheran was het precies middernacht, in Tokio vijf uur ’s ochtends. De mensheid in haar verschillende gedaanten ging het derde millennium binnen; persoonlijk had ik mijn entree flink verknald.’[61]

De computersingulariteit

Het is hier dienstig om het stukje vroege computergeschiedenis dat in hoofdstuk I al aan de orde is geweest even in herinnering te brengen. Zo tergend langzaam als de biologische evolutie van de menselijke geest in z’n werk is gegaan, zo razendsnel ontwikkelt de kunstmatige intelligentie zich als gevolg van de culturele evolutie. Terwijl het eerste vertoon van typisch aan het bewustzijn gekoppelde menselijke vaardigheden dateert van zo’n vijftigduizend jaar geleden, is er pas vanaf de zeventiende eeuw gewerkt aan het ontwikkelen van rekenmachines, als eenvoudigste vorm van kunstmatige intelligentie. In 1642 ontwierp Blaise Pascal zijn Pascaline, bedoeld om zijn vader te ondersteunen bij het vele optel- en aftrekwerk dat hij als ’s konings belastinginner moest verrichten.

De volgende stap staat op naam van Gottfried Leibniz – dezelfde die zich met het voor de digitale computer zo essentiële binaire getallenstelsel bezig hield – die in 1675 een verbeterde versie construeerde die ook kon vermenigvuldigen en delen. De Engelse wis- en werktuigbouwkundige Charles Babbage werkte vanaf 1823 aan een mechanische rekenmachine op basis van ponskaarten, hoewel hij er nooit in geslaagd is er een ook echt aan de praat te krijgen. Aan het eind van de negentiende eeuw was het Herman Hollerith, een Amerikaan die het produceren van ponskaartenmachines commercieel aanpakte door de Tabulating Machine Company, de latere International Business Machines (IBM) op te richten. Beperken we ons verder tot de digitale elektronische computer, dan valt de Duitser Konrad Zuse de eer te beurt om in het begin van de Tweede Wereldoorlog als eerste een werkend exemplaar te hebben gefabriceerd, met een omvang die alleen in een fabriekshal paste. En deze heeft zich in de daarop volgende jaren zo snel ontwikkeld tot de tegenwoordige supercomputer op ons thuisbureau dat de overeenkomst met de eerste voorouder ver is te zoeken en er beter van revolutie dan van evolutie kan worden gesproken.

In zijn in 2014 verschenen boek Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies (Superintelligentie. Wegen, gevaren en strategieën) informeert de Zweedse computerdeskundige Nick Bostrom ons over wat ons zijns inziens te wachten staat als gevolg van de explosieve ontwikkeling op het terrein van superintelligente machines.[62] Machines die we zelf hebben gemaakt zullen een vermogen hebben tot leren, nadenken en plannen maken, grote hoeveelheden ingewikkelde informatie kunnen verwerken en inzetbaar zijn op vele concrete en abstracte gebieden. Nu zijn dergelijke voorspellingen al gedaan sinds Zuse de eerste digitale computer aan de praat kreeg en de komst van intelligente machines die met mensen kunnen concurreren op zo’n twintig jaar later werd gesteld. Vanaf die tijd is die verwachting ieder jaar met een jaar bijgesteld, zodat driekwart eeuw later hedendaagse futuristen die zich bezighouden met de mogelijkheid van algemene kunstmatige intelligentie nog steeds denken dat zulke machines er over een paar decennia wel zullen zijn.[63] Bostrom beschrijft de intelligentie-explosie die zal gaan plaatsvinden, op welke termijn dat kan worden verwacht, op welke manieren dat kan worden bereikt en wat de daarmee verbonden mogelijkheden en gevaren zijn in een wereld waarin machines menselijke prestaties op alle gebieden zullen overtreffen en zich door ons niets meer wijs zullen laten maken. Mogelijk dat we door onze beperkte vermogens niet zelf superintelligente machines kunnen bouwen, maar wel machines die iets intelligenter zijn dan wijzelf en die op hun beurt weer intelligent genoeg zijn om machines te maken die nog iets intelligenter zijn zonder ons daarvoor nodig te hebben, waarmee de aanzet wordt gegeven tot een zichzelf eindeloos versnellend proces met onbekende afloop – singulariteit − dat niemand meer zal kunnen stoppen.[64] Daar zijn mogelijk de nodige gevaren aan verbonden omdat wij mensen alleen maar tussen hoop en vrees kunnen afwachten of de superintelligente machines zich er iets van zullen aantrekken hoe het verder met hun biologische voorouders zal vergaan.[65]

In de decennia na de hoogtijdagen van Shakey en Eliza, schrijft Bostrom, zijn er machines ontwikkeld die beter klinisch kunnen diagnosticeren dan artsen, zelfstandig auto’s kunnen besturen en patenteerbare uitvindingen kunnen doen. Er zijn ook reeds hoortoestellen met algoritmes die ruis wegfilteren, spraakherkennings- en vertaalprogramma’s voor niet al te moeilijke gevallen, optische herkenningsprogramma’s die handschriften kunnen ontcijferen en gezichten kunnen thuisbrengen, routeplanners, programma’s die op basis van eerdere aankopen aanbevelingen doen voor nieuw verschenen boeken en cd’s, steunprogramma’s voor het diagnosticeren van borstkanker en het interpreteren van elektrocardiogrammen, programma’s die theorema’s kunnen bewijzen en vergelijkingen oplossen. Er zijn door kunstmatige intelligentie aangestuurde operatierobots, miljoenen industriële robots, robots die bommen kunnen ontmantelen robots als huisdieren, stofzuigers, maaimachines en reddingstoestellen.[66] Over de vraag wanneer er voor mensen geen werk meer te doen is omdat alles door robots sneller, beter en goedkoper kan worden gedaan zonder dat ze zich gaan vervelen of staken om loonsverhoging verschillen de deskundigen van mening. Tien procent van de ondervraagden denkt dat het binnenkort het geval zal zijn, vijftig procent gaat uit van 2050 en negentig procent van 2090. In ieder geval gaat bijna iedereen er vanuit dat het vóór 2100 zal zijn geregeld, terwijl slechts een enkeling denkt dat het nooit zal gebeuren.[67]

Er zijn, schrijft Bostrom verder, verschillende wegen die in de toekomst naar superintelligentie kunnen leiden: het door ontwikkelen van kunstmatige intelligentie, emulatie van het gehele brein, vermeerderen van biologische kennis (cognitie), ontwerpen van mens-machine interfaces, maar ook door het opzetten van netwerken en organisaties.[68] Wat de kunstmatige intelligentie betreft zal dat neerkomen op het bouwen van grotere en snellere machines, wat als emergente eigenschap met mensen vergelijkbare intelligentie zal opleveren. We hoeven die machines niet zelf te bouwen – dat zou met de intelligentie van een gemiddeld volwassen mens ook veel te moeilijk zijn − maar om te beginnen is de veel eenvoudiger intelligentie van een kind te simuleren, waarna we daaruit door het laten draaien van genetische algoritmes op voldoende snelle computers op korte termijn resultaten kunnen verkrijgen die te vergelijken zijn met de biologische evolutie die miljoenen jaren in beslag heeft genomen.[69]
De tweede manier is door het bouwen van een kunstmatig brein – emulatie of uploaden – waarbij het menselijke brein als sjabloon wordt gebruikt. Daarvoor is het nodig om een uiterst gedetailleerde scan van het menselijke brein te maken, waarna de data in een computer worden ingevoerd om het driedimensionale neurale netwerk te reconstrueren dat dan op een voldoende krachtige computer kan worden geïmplementeerd.[70] Politiek-strategisch vergelijkt Bostrom de explosieve ontwikkeling van machinale superintelligentie met het Manhattenproject, waarbij een betrekkelijk kleine groep wereldvreemde wetenschappers in de vroege jaren 1940 de atoombom wisten te bouwen en daarmee, naast het winnen van een wereldoorlog, ook het startsein hebben gegeven voor een kernwapenwedloop waarmee het voortbestaan van de hele wereld in gevaar werd gebracht:

Gegeven de extreem hoge eisen aangaande de bescherming zullen regeringen alle projecten rond de ontwikkeling van superintelligentie op hun gebied willen nationaliseren. Machtige staten zullen ook proberen door spionage kennis, diefstal, kidnapping, omkoping en militaire dreiging binnen hun eigen invloedssfeer te brengen, of indien dat niet lukt dat te vernietigen.[71]

Na al deze met ingehouden adem gelezen horrorscenario’s gunt Bostrom ons enige opluchting met de mededeling dat het momenteel nog niet bekend is hoe menselijke waarden op een computer kunnen worden overgebracht. Mensen stellen prijs op muziek, humor, romantiek, kunst, spel, dans, conversatie, filosofie, literatuur, avontuur, ontdekking, eten en drinken, vriendschap, ouderschap, sport, natuur, traditie, spiritualiteit en nog een heleboel andere zaken, en het is de vraag wat we daaraan hebben en waar die evolutionair gezien voor dienen, laat staan dat we weten hoe die geprogrammeerd en geïmplementeerd moeten worden. En als we dat wel zouden kunnen weten we nog niet welke waarden dat dan zouden moeten zijn. [72]

Ook Bostroms geestverwant Youval Harari bespreekt de mogelijkheid van superintelligente machines, maar ook hij beschouwt het menselijke bewustzijn als voorlopig niet na te maken:

In het verleden waren er veel dingen die alleen mensen konden. Maar nu halen robots en computers ons in en misschien zal het niet lang duren voor ze mensen in de meeste taken overtreffen. Computers functioneren natuurlijk wel heel anders dan mensen en het lijkt onwaarschijnlijk dat ze op korte termijn menselijker zullen worden. Het lijkt er met name niet op dat computers op het punt staan om een bewustzijn te ontwikkelen en gevoelens en sensaties te ervaren. De afgelopen vijftig jaar is er een enorme vooruitgang geboekt op het gebied van computerintelligentie, maar nul komma nul vooruitgang op het gebied van computerbewustzijn. Voor zover we weten zijn computers in 2016 geen haartje bewuster dan hun prototypen uit de jaren vijftig.[73]

Bijval ontvangen Bostrom en Harari ook nog van de Amerikaanse data-wetenschapper Seth Stephens-Davidowitz, die in zijn boek Don’t trust your gut stelt dat er met kunstmatig-intelligente machines die gigantische hoeveelheid data afkonstig van dating sites kunnen verwerken veel valt uit te rekenen, maar niet met wie je het gelukkigst zal kunnen worden:

Goede romantische partners zijn moeilijk te voorspellen op basis van big data, Welke romantische partners worden verlangd valt wel makkelijk te voorspellen, wat betekent dat velen van ons verkeerd aan het daten zijn.1

1 Seth Stephens-Davidowitz, Don’t trust your gut, Bloomsbury Publishing 2022, blz. 26.

Wat betreft de keuzes die we op korte termijn zullen moeten maken, besluit Bostrom, zitten we verstrikt in een struikgewas van strategische complexiteit, omgeven door een dichte mist van onzekerheid. Hoewel reeds vele mogelijkheden zijn overwogen zijn de details en de onderlinge verhoudingen onduidelijk en onzeker gebleven, en er zijn vast ook nog een aantal factoren waaraan niet is gedacht:[74]

Aan de vooravond van een intelligentie-explosie lijken we op kleine kinderen die met een tijdbom aan het spelen zijn. Wanneer die zal afgaan weten we niet, maar als we hem tegen ons oor houden horen we hem duidelijk tikken. Wat een kind in zo’n situatie moet doen is niet op een knop drukken om te kijken wat er dan gebeurt, maar de bom voorzichtig neerleggen en snel de kamer uitrennen om een volwassene over de situatie in te lichten. Maar in ons geval is het onwaarschijnlijk dat er een volwassene in de buurt zal zijn die het probleem voor ons kan oplossen. Het enige wat kan is zo goed mogelijk ons best doen en ons gezonde verstand blijven gebruiken.[75]

Bostrom is uiteraard niet de eerste met apocalyptische ideeën over het mogelijke einde van de mensheid, en hij zal naar alle waarschijnlijkheid ook de laatste niet zijn. Maar de filosoof en informaticus Luciano Floridi bijvoorbeeld wijst alle ophef over de dreigende singulariteit van kunstmatige intelligentie resoluut van de hand met de constatering dat een machine, hoe vaardig in het rekenen ook, zich in essentie niet onderscheidt van een vaatwasmachine en altijd zoiets als menselijk bewustzijn zal blijven ontberen.[76] Niet dat we daarom in de nabije toekomst geen grote problemen meer te verwachten hebben: door de ontwikkeling van het bewustzijn in onze organische hersenen zijn we in de gelegenheid gesteld keuzes te maken tussen verschillende scenario’s wat betreft onze morele relatie tot de wereld, en die keuzes zijn lang niet altijd − Nietzsche heeft ons naast onze moord op God ook al op onze duivelse aanleg gewezen – de beste gebleken.

Alexander Flemings grappige ontdekking

Op een dag in het jaar 1922 boog de snotverkouden Alexander Fleming zich in zijn laboratorium over een glazen petrischaaltje waarin hij wat van zijn eigen neusinhoud op een voedingsbodem had gedeponeerd. Terwijl hij de gele bacteriemassa die er was ontstaan aan het bestuderen was, viel er een traan uit zijn waterige oog en toen hij een dag later opnieuw in het schaaltje keek, zag hij tot zijn verrassing een helder cirkeltje op de plaats waar de traan was gevallen.

Diagram

Description automatically generated

Kennelijk bevatte de traan een stof die in staat is bacillen te doden. Deze wel zeer toevallige ontdekking bleek zelf van weinig praktisch belang, omdat het antibioticum dat zich in het traanvocht bleek te bevinden, lysozyme, alleen effect heeft op de tamelijk onschuldige verkoudheidsbacillen, maar vormde zes jaar later wel de aanleiding tot de ontdekking van penicilline.

In 1928 was Fleming nog steeds bezig met routinematig onderzoek aan bacterieculturen in glazen schaaltjes. Toen hij van een negendaagse vakantie terugkeerde in het laboratorium en de kweekschaaltjes die hij in een bak met het ontsmettingsmiddel lysol had achtergelaten wilde opruimen, zag hij in het bovenste schaaltje, dat door het grote aantal schaaltjes in de bak niet met het lysol in aanraking was gekomen, net zo’n opvallend heldere plek in de verder nog onaangetaste bacteriecultuur als zes jaar eerder met de traan. Een aanwezige bezoeker zag hoe hij het schaaltje oppakte, er verbaasd naar keek, en hoorde hem zeggen: ‘That’s funny.’ Dit keer bleek het een toevallig in het schaaltje verdwaalde schimmel te zijn die een voor staphylococcus bacteriën dodelijke stof produceert: het penicilline. Fleming zelf schreef over deze beroemdste van alle toevallige ontdekkingen:

Vóór de eerdere ervaring met lysozyme zou ik het schaaltje hebben weggegooid, zoals zoveel bacteriologen voor mij gedaan moeten hebben. Maar in plaats van de bedorven cultuur onder toepasselijk taalgebruik weg te smijten, deed ik een paar onderzoekingen.[77]

Verder liet Fleming zelf de zaak rusten omdat hij ervan overtuigd was dat een vergif voor een levend organisme als de bacterie ook voor de mens niet bepaald prettig zou zijn. De collega’s die wel geïnteresseerd waren lukte het maar niet Flemings resultaten te reproduceren, omdat, naar later bleek, het niet om de normale penicillineschimmel ging maar om een bijzonder soort afkomstig van een specialist die een verdieping lager in hetzelfde laboratorium als Fleming werkte, en die schimmel alleen onder zeer bepaalde klimatologische omstandigheden goed wil gedijen: tijdens de afwezigheid van Fleming had er in Londen gedurende negen aaneengesloten dagen een uitzonderlijk koel weertype geheerst. Pas tien jaar later, in augustus 1940, slaagden Howard Florey en Ernst Chain erin de miraculeuze eigenschappen van penicilline te herontdekken.[78]

Dat zijn onhygiënische gedrag en daaruit voortkomende verontreinigingen van doorslaggevende betekenis waren voor zijn ontdekking, was Fleming zich maar al te zeer bewust. Toen hij na de Tweede Wereldoorlog een bezoek bracht aan het kraakheldere, steriele laboratorium van een Amerikaans farmaceutisch bedrijf, merkte hij op dat hij als hij dáár had gewerkt hij het penicilline nooit zou hebben kunnen vinden.[79]

Het is zelfs bij benadering niet meer mogelijk uit te rekenen hoeveel mensenlevens er sindsdien met penicilline zijn gered. En ongeveer tezelfdertijd als penicilline, en ook later nog, werden allerlei andere antibiotica − sulfonamide, cefalosporine − op toevallige wijze ontdekt en op uitgebreide schaal toegepast. Met die middelen in handen en met gigantische winstmarges voor ogen werd het in de Verenigde Staten en Zuid-Europa een gewoonte om verkoudheden en andere vage gevoelens van lichamelijk ongemak als gevolg van lichte bacteriële infecties, te behandelen met een mengsel van antibiotica. Het voorspelbare en ook door Fleming zelf al met bezorgdheid opgemerkte gevolg daarvan is dat zich overal bacteriestammen aan het ontwikkelen zijn die ongevoelig zijn voor steeds meer antibiotica, zodat het in de toekomst ook steeds moeilijker zal worden een werkend geneesmiddel tegen ernstige infecties te vinden.[80] Als er, zoals de laatste decennia al meermalen is gebeurd, zo’n resistente MRSA- of ESBL-bacteriestam wordt aangetroffen in een ziekenhuis, moet de hele afdeling, inclusief patiënten en verplegend personeel, hermetisch van de buitenwereld afgesloten en grondig gedesinfecteerd worden om verspreiding van de levensgevaarlijke en praktisch onkwetsbare eencellige schepseltjes te voorkomen. In een artikel dat in juni 2006 op de website van het medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet werd geplaatst schrijven vier onderzoekers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat een bacterie, MRSA, wereldwijd een groeiend probleem aan het worden is en in ziekenhuizen de potentie heeft om explosief te worden,[81] en met ESBL is het al niet anders.[82]

In januari 2010 stierf in Nederland het eerste slachtoffer aan een ESBL-infectie die buiten het ziekenhuis moet zijn opgelopen, mogelijk door het eten van kippenvlees,[83] en in de zomer van hetzelfde jaar werd er onder andere uit een kliniek voor cosmetische operaties in Azië een nieuwe resistente bacterie meegenomen naar het westen, en niet zomaar een beetje resistent, maar resistent tegen alle bekende antibiotica, dus ook tegen de carbapenems, een groep antibiotica die tot dan toe in reserve zijn gehouden voor eventuele noodgevallen. Deze ESBL-bacteriën beschikken bovendien over de genetische eigenschap om hun resistentie snel en makkelijk door te geven aan andere bacteriën.[84] Was tot voor kort de ESBL-bacterie buiten het ziekenhuis alleen aan te treffen in het vlees van dieren – kippen en kalveren – die ter voorkoming van infecties overdadig met antibiotica worden behandeld zodat een vegetarisch dieet mogelijk soelaas zou kunnen bieden, maar in 2011 werd de bacterie ook aangetroffen in rauwe groenten als taugé, radijs, lente-ui en pastinaak, zodat ook deze vluchtroute is afgesloten.[85] Met het meest recent ontwikkelde antibioticum teixobactin lijkt de wetenschap de bacteriën weer voor even een slag te hebben toegebracht, maar te denken dat daarmee ook de oorlog is gewonnen zou van ernstige naïveteit getuigen.

Ook in de recente literatuur wordt Sir Alexander Fleming nog steeds geëerd als een redder van de mensheid, terecht gelauwerd met Nobelprijs en adelstand, maar de tijd dat hij de aanzet blijkt te hebben gegeven tot de ontwikkeling van een bacterie waartegen geen kruid meer is gewassen, en die daarom in korte tijd meer slachtoffers zal maken dan alle oorlogen uit de geschiedenis van de mensheid bij elkaar, komt akelig dichtbij. Dan vergeten we nog maar even dat er naast deze onbedoelde ontwikkeling ook sprake kan zijn van moedwillige pogingen resis­tente bacteriestammen te kweken, een mogelijkheid die aan de vooravond van de Eerste Golfoorlog opeens weer midden in de belangstelling stond, omdat werd vermoed dat er in de Iraakse laboratoria van Saddam Hoessein antibiotica-resistente bacteriestammen werden geselecteerd en gekweekt.[86] Dat we daarnaast ook te maken hebben en krijgen met even moeilijk te bestrijden natuurlijke dan wel kunstmatige virusstammen die HIV-, SARS-, MERS-, ebola en coronabesmettingen veroorzaken is in het recente verleden maar al te duidelijk gebleken (zie hoofdstuk IX).

Waar het in het kort op neerkomt is dat Nick Bostroms superintelligente en mogelijk kwaadwillende robots niets tegen ons hoeven te ondernemen, omdat zij dat opruimwerk kunnen overlaten aan de dramatisch veranderende klimatologische omstandigheden en de micro-organismen waar zij zelf totaal ongevoelig voor zullen zijn. That’s funny!

Tenslotte?

In het huidige Fin de Millénaire worden we – niet alleen in het Avondland − geconfronteerd met problemen die door een aantal prominente denkers in het Interbellum al werden gesignaleerd en die naar nu is gebleken dramatische gevolgen kunnen hebben: een nog steeds sterk toenemende wereldbevolking, oorlogen waarbij terroristische strijdmethoden worden gehanteerd en die massale vluchtelingenstromen op gang brengen, en opkomend populisme in de politiek met bijbehorend nationalisme dat met het sleetse democratische bestel de eenheid van Europa dreigt te ondermijnen.

Een nieuw probleem dat gedurende de vorige eeuw manifest is geworden en voor het eerst gesignaleerd is door de Duitse filosofen Martin Heidegger en Hans Jonas, betreft de snelle klimaatverandering die de vluchtelingenstromen alleen maar zullen doen aanzwellen en waarvan de aanpak een internationale samenwerking verlangt die in een tijd van opkomend populisme ver – en mogelijk steeds verder – te zoeken lijkt. Van recenter datum nog is de dreiging die er uitgaat van de mogelijk onbeheersbare ontwikkelingen op het gebied van de computertechnologie en de uitbraak van epidemieën veroorzaakt door virussen en resistente bacteriën. De virussen veranderen zichzelf sneller dan wij serums kunnen ontwikkelen en wat de bacteriën betreft zijn we door de massale vaccinatieprogramma’s van mensen en dieren inmiddels door onze werkende antibiotica aan het heen raken.

Weten we zeker dat zich bij ongewijzigd beleid binnen afzienbare tijd een ramp van ongekende omvang zal voltrekken die, zo niet het einde van de wereld, dan toch wel het einde van een aanzienlijk deel van de mensheid zal betekenen? De aanwijzingen daarvoor zijn talrijk en hopen zich nog steeds verder op, maar absoluut zeker weten: nee. De geschiedenis is een moeilijk te voorspellen chaotisch proces en er blijft altijd nog een kans bestaan dat het allemaal, om wat voor onvoorziene redenen dan ook, met een betrekkelijke sisser zal aflopen en de mythische vogel feniks tijdig uit het brandende nest zal zijn opgestegen om zijn eieren op een veiliger plek te leggen en uit te broeden.

Maar gezien het belang van de kwestie is het verstandig het enigszins zekere voor het totale onzekere te nemen, zoals Blaise Pascal deed met betrekking tot zijn twijfel over het ware christelijke geloof en het bestaan van God:

Mijn angst om me te vergissen en dan te ontdekken dat de christelijke godsdienst toch waar is, zou veel groter zijn dan mijn angst hem bij vergissing voor waar te houden.[87]

Als we nu zouden besluiten te doen of er sprake is van een werkelijk dreigend klimaatprobleem en daar de even noodzakelijke als pijnlijke acties tegen ondernemen – niet alleen volgens Latour al te laat, te laat − dan zouden we ons als het allemaal blijkt mee te vallen alleen maar onnodig zorgen hebben gemaakt. Maar als we onze schouders erover zouden ophalen en het blijkt een reëel probleem te zijn, verzeilen we rechtstreeks in een apocalyps. Volgens de filosoof Lisa Doeland heeft het proberen te bestrijden niet zoveel zin meer en doen we er het beste aan om ons te bezinnen op hoe te overleven in een dramatische veranderende wereld.

Mogelijk dat het uitblijven van adequate maatregelen vanuit de politiek − waar men, uitzonderingen daargelaten, het pluche nog steeds te prefereren vindt boven de toestand van de wereld − valt te verklaren met het blinde vertrouwen in wetenschap en techniek dat er tijdig geo-engineering genoemde methoden en middelen ontwikkeld en toegepast kunnen worden om de problemen op een economisch minder pijnlijke manier af te wenden. Zo zou er in plaats van de industriële uitstoot drastisch te verminderen gezocht kunnen worden naar manieren om de CO2 uit de lucht te halen door grootschalige vergroening van land en water: het aanplanten van bossen en het kweken van algen in de oceanen. Ook wordt er wel gedacht aan het in de atmosfeer verspreiden van grote stofwolken waarmee het zonlicht kan worden tegengehouden, of aan het wit schilderen van alles wat zich daarvoor aandient om het licht en de warmte te weerkaatsen naar de ruimte waar het vandaan komt. Maar het risico van dit soort ingrepen is dat de gevolgen voor een gecompliceerd systeem als het klimaat moeilijk zijn in te schatten en het middel wel eens erger dan de kwaal kan blijken te zijn,[88] zodat ze alleen kunnen worden ingezet als we zeker weten dat de ramp eraan komt en niets anders meer kan helpen om de gevolgen daarvan te beperken.

We – in het bijzonder wetenschappers en beleidsmakers − zullen er daarom goed aan doen een noodscenario te bedenken in de vorm van een uitvoerig en gedetailleerd Plan B dat we klaar moeten hebben liggen, en dat als de situatie zich zover heeft ontwikkeld dat de meeste gezonde twijfel aan de teloorgang van het milieu is weggenomen en alleen de ongezonde twijfel is overgebleven, uit de la kan worden getrokken en onmiddellijk in werking gesteld. Hoe dat plan er ook zal uitzien, voorop gesteld kan worden dat de vrije markteconomie en de democratie in de huidige vorm daar geen onderdeel van zullen kunnen uitmaken en er meer iets van een centraal geleide economie zal moeten worden ingericht, waarbij geen − of in ieder geval veel minder − rekening wordt gehouden met de kortzichtige wensen en verlangens van bedrijven en individuele consumenten. Te hopen valt dat de hedendaagse marxistische denker Frederic Jameson het met zijn verzuchting bij het verkeerde eind zal hebben: ‘Tegenwoordig lijkt het haast makkelijker je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.’[89]

Plan B

In Per slot van rekening, een boek dat in 1992 tot ieders verbazing een bestseller werd, wijst de ARP-politicus, ex-president van de Nederlandsche Bank en oud-minister van Financiën, zelfs korte tijd minister-president Jelle Zijlstra – geboren in hetzelfde jaar dat Oswald Spenglers eerste deel van zijn De ondergang van het Avondland het licht zag – op een mogelijke uitweg uit het dilemma dat van de twee aartsvijanden noch het terecht verongelukte communisme, noch het onterecht zegevierende kapitalisme in staat is met enig duurzaam succes de strijd aan te binden met de gesels en teisteringen die het milieu en het klimaat, dus ons, bedreigen.

Text

Description automatically generated

In het boek geeft Zijlstra een korte historische beschouwing die van dienst zou kunnen zijn bij een voorzichtige poging iets over de toekomst te zeggen, waartoe hij zich geroepen voelde door het in zicht komen van de eeuw- en millenniumwisseling:

Niet dat de oudejaarsavond van 31 december 1999 zoveel anders hoeft te zijn dan het uiteinde van enig ander jaar. Maar toch, het jaartal 2000 is wel iets bijzonders. De vorige keer dat een nieuwe eeuw drie nullen achter het cijfer had zag de wereld er anders uit. Het jaar 1000, wat weten we er eigenlijk nog van? In ieder geval is de wereld nog lang daarna vrij statisch van karakter gebleven. Groei en vooruitgang, het zijn begrippen die pas veel later opkwamen.[90]

Zijlstra meent dat zich vanaf het eind van de achttiende eeuw – tegenwoordig wel het begin van het antropoceen genoemd, vanwege het zware stempel dat de mens erop drukt − in het kader van de industriële revolutie tot in de huidige tijd stormachtige ontwikkelingen hebben voorgedaan die werden aangedreven door de optimistische verwachting dat de mens en de samenleving in alle opzichten betere tijden tegemoet zouden gaan, maar dat er door het kille vraag- en aanbodmechanisme, dat zich niet wenste te bekommeren om wat zich bij de deelnemers aan menselijke tragedies voltrok, ook nieuwe problemen zijn ontstaan.[91] Door de lucht- en waterverontreiniging, de afvalbergen en het broeikaseffect, die zo duidelijk samenhangen met de industriële revolutie en haar nasleep, moeten wij ons de vraag stellen of het primaat van de vrije markteconomie wel te handhaven is. Uiteraard kan de markteconomie haar efficiëntie en technologische vooruitgang in dienst stellen van oplossingen voor de milieuproblemen en kan het verbod op voor het milieu schadelijk gedrag en het gebruik van vervuilende materialen het bedrijfsleven prikkelen naar vervanging te zoeken, maar het is de vraag of dit afdoende zal zijn:

Ik vrees dat wij de werkelijk ernstige kern nog niet hebben geraakt. Als de wereldbevolking blijft toenemen, maar vooral als de tot dusver nog sterk in welvaart achtergebleven gebieden die achterstand geheel of zelfs maar gedeeltelijk zullen gaan inhalen, krijgen we te maken met economische groeipercentages die de milieuproblemen wel eens echt onhanteerbaar zouden kunnen maken. Wij moeten daarom, zo zegt men, de groei stoppen en streven naar een ‘economie van het genoeg’. Maar er wordt nooit bij gezegd in welke politieke en economische orde dit mogelijk zal zijn. De samenleving zal een politieke dictatuur ook ter wille van het milieu niet willen aanvaarden. Wat de economische orde betreft, de geschiedenis heeft ons over de markteconomie, haar doeltreffendheid en haar democratische gehalte, zoveel geleerd dat wij haar in ieder geval het voordeel van de twijfel moeten gunnen.[92]

Maar in een interview naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek liet Zijlstra zijn aanvankelijke voorzichtigheid geheel varen en stelde onomwonden – een kwart eeuw voor Latour, Wallace-Wells en Stiglitz − de oorlogseconomie ten voorbeeld zoals die door Engeland en de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog in zeer korte tijd is gerealiseerd, waarbij de democratie weliswaar gehandhaafd bleef, maar wel de keuze werd gemaakt niet méér te produceren dan nodig is om te overleven, en de rest van de tijd, de financiën en de inspanningen volledig te richten op het naar is gebleken succesvol verslaan van één gezamenlijke vijand:

We zouden ons kunnen bezinnen op de vraag of het niet nuttig is om in vredestijd de instrumentaria van een oorlogstijd toe te passen op het afremmen van inkomens- en productiegroei. Het is voor mij de enige logische weg om op voort te gaan en eens te kijken of je ergens anders uitkomt dan al die onheilspreken over de uitstoot van CO2. Als deze weg, die ik bij wijze van iets meer dan een fantasie schets, de juiste zou zijn, dan zou de politiek voor een zware taak komen te staan, leidende figuren zullen het hun achterban moeten gaan vertellen.[93]

En dan geen fictieve gezamenlijke vijand, zoals Adolf Hitler die verzon voor het realiseren van zijn fascistische ideeën, maar een werkelijke vijand zoals hijzelf dat was voor de democratische wereld vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw, en in ons geval in de huidige oorlog wijzelf als agressors en potentiële overweldigers van de natuur.

Als deelprobleem en als voorbode van een veel bredere klimaatcrisis diende zich in 2020 het ‒ op natuurlijke dan wel kunstmatige wijze gevormde (zie hoofdstuk IX) ‒ covid-19 of coronavirus aan en ontwikkelde zich in korte tijd tot een pandemie. Hoopgevend in verband met mogelijke toekomstige en nog grotere problemen was dat er − afgezien van betrekkelijk geringe aantallen complotdenkers en antifaxers − wereldwijde bereidheid bleek te bestaan onmiddellijk fundamentele beslissingen te nemen en economische motieven en argumenten ondergeschikt te maken aan gezondheidsrisico’s. Het leverde maandenlang een beeld op van een wereld in een toestand waarvan de grootste idealisten voordien niet eens hadden durven dromen: motorvoertuigen bleven vaker in de garage, hele luchtvloten stonden aan de grond en toeristenstromen droogden op, waardoor steden schoon en leeg maar vooral weer leefbaar werden voor de thuis blijvende bewoners die zich in andere werelden verplaatsten door boeken te lezen. Kenmerkend voor het legitimeren van de situatie was dat er alom in het debat en in de gedrukte pers oorlogsretoriek werd bedreven, niet alleen door progressieve columnisten, maar ook door vooraanstaande politici. De Franse president Emmanuel Macron had het over een aan de gang zijnde ‘oorlog’ en een Nederlands televisieprogramma dat verslag deed van de gebeurtenissen in ziekenhuizen en laboratoria heette ‘Frontberichten’. Wat bovenal tot optimisme stemde was dat uit satellietopnamen bleek dat de luchtkwaliteit in alle meest vervuilde gebieden over de hele wereld binnen enkele weken aanzienlijk was verbeterd. Het is wel de vraag in hoeverre deze toevallige vingerwijzing na het bedwingen van het virus aanleiding zal zijn tot blijvende verandering of dat er gestreefd zal worden naar herstel van de oorspronkelijke, op economische groei gebaseerde samenleving, want na het opheffen van de lockdown verdrongen de reislustigen zich weer net zo op de vliegvelden alsof ook de klimaatcrisis daarmee was afgewend.

In een dergelijk plan B – geen al te driest plan zoals voorgestaan door Tesla-multimiljardair Elon Musk om de door ons gewonde en stervende aarde met ruimteschepen te verlaten en op zoek te gaan naar een planeet B, maar om planeet A als leefbare thuisbasis te behouden − zal uiteraard niet worden verordonneerd dat de kinderen in mijnen fossiele brandstoffen moeten delven en de vrouwen op het land voedsel moeten verbouwen omdat de mannen elkaar aan het front aan het afslachten zijn zoals tijdens de vorige wereldoorlogen gebeurde. Er zullen geen enorme hoeveelheden a-, b- en c-wapens worden geproduceerd, maar over de hele breedte van het front zal het herstel van het natuurlijke milieu en het klimaat moeten worden nagestreefd, of tenminste het verlies daarvan gestopt, en zullen bedrijven niet meer hun winstoogmerk als grootste belang mogen aanmerken, net zo min als de bevolking hun vermeende recht op comfort en vertier onverkort mogen laten gelden. In deze oorlog, vergeleken waarmee de oorlogen uit de twintigste eeuw slechts lokale conflicten waren, zal met alle mogelijke middelen gezocht moeten worden naar klimaatneutrale energiebronnen en duurzame productiemiddelen en -methoden, en mensen zullen bereid moeten zijn of desnoods gedwongen moeten worden tot een ander, in sommige opzichten bescheidener consumptief gedrag, terwijl de staatsschulden, zoals immer in tijden van oorlog, tot extreme hoogten zullen oplopen. De enige nog volop bloeiende bedrijfstakken zullen gevormd worden door de productie van broekriemen die overal en door iedereen tot op het uiterst haalbare gaatje zullen moeten worden aangehaald en zeilen die tot het uiterste moeten worden bijgezet.

Maar de radicale overgang naar een vorm van de menselijke samenleving die afziet van overdreven consumptie waaronder massale en goedkope vliegvakanties, het gebruik van fossiele energie en onvervangbare grondstoffen, schrijft Philipp Blom, zal diep ingrijpen in alle segmenten van de samenleving, en de discussie erover is nog niet eens begonnen:

Geen normale politicus durft het aan met een dergelijke agenda voor een microfoon te gaan staan. Geen politicus waagt het zijn kiezers te vertellen dat we allemaal armer worden, dat we in plaats van inkopen te doen ons samen moeten afvragen in welk soort samenleving we over dertig jaar willen leven, welke realistische mogelijkheden er zijn om nader tot dat doel te komen, en wat we bereid zijn op te geven om een kans te hebben. Natuurlijk: zo’n programma zou politieke zelfmoord zijn.[94]

Toch zal er een oorlogskabinet moeten worden gevormd dat zich uitsluitend ten doel stelt de klimaat- en milieuproblemen binnen de perken te houden en het populistische streven naar directe behoeftebevrediging en grootst mogelijke winstmarges naast zich neer kan leggen, wat met een op directe democratie gebaseerd kiesstelsel moeilijk te realiseren zal zijn.

Ernstiger nog dan Zijlstra het zich voorstelt vreest Latour dat het de meeste politici niet alleen maar aan moed zal ontbreken, maar het eerder niet zullen kunnen, omdat ze ook zelf niet meer op adequate ideeën kunnen komen:

We hebben waarachtig geen geluk: we moeten de wereld tegemoet treden met een mens die tot een uiterst gering aantal intellectuele vaardigheden is gereduceerd, voorzien van een brein dat slechts tot simpele kapitaliserings- en consumptieberekeningen in staat is. Net nu we weer aan politiek zouden moeten gaan doen, staan ons alleen nog maar de armzalige hulpmiddelen ‘management’ en ‘beleid’ ter beschikking. Nooit eerder is een bekrompener definitie van de mensheid veranderd in een universele gedragsstandaard.[95]

Maar als geen politicus in staat zal zijn een dergelijke omvorming van de samenleving te bedenken laat staan te bewerkstelligen, wat is dan het alternatief als we de dictatuur van de groenhemden willen vermijden? Zoals gezegd had Zijlstra daarvoor de oorlogseconomie in gedachten, waarbij er ook niet bij elke noodzakelijke beslissing om de mening van het volk werd gevraagd – ‘Bent u ervoor of ertegen dat we op 6 juni Normandië gaan bestormen en het jaar daarop in augustus twee atoombommen op Japan willen gooien?’ − maar besloot voor het gemak zich er zelf gezien zijn leeftijd niet meer mee te bemoeien:

Als ik dertig jaar jonger zou zijn, dan zou ik me storten op het milieuprobleem en de mondiale welvaartsverschillen, en ik zou me bezinnen op de sleetse plekken van de parlementaire democratie. Maar nu zeg ik: dat moet de volgende generatie maar doen.[96] Maar ik hoop dat de geschiedenis zich ook nu weer zal herhalen. Heeft zij ons niet geleerd dat dissonanten kunnen aansporen tot handelen en tevens dat een tot oplossing gebrachte dissonant een muzikaal hoogtepunt kan zijn?[97]

De alleszins beschaafde en fatsoenlijke Zijlstra, die zelf als meest rebelse daad tegen de gevestigde orde tijdens zijn studententijd een orgeldraaier had omgekocht om met zijn muziekinstrument voor de deur van het instituut het doodsaaie college van zijn oude hoogleraar economie te verstoren,[98] verliet deze bedreigde wereld in december 2001. Voor al degenen na hem valt te hopen dat de nieuwe generaties politici zijn wijze woorden ter harte zullen nemen. ‘Waar het heen gaat, Jelle zal wel zien…’, zong de cabaretier Wim Kan op de melodie van het Beatleliedje Yellow Submarine tijdens zijn oudejaarsconference op 31 december 1966, waarin hij de voor korte tijd premier mild op de hak nam.

Over dat laatste hoeft Zijlstra zich vanaf zijn wolk volgens de socioloog Richard Sennett geen zorgen te maken. Op de vraag welke toekomst hij nog voor de planeet Aarde ziet antwoordt Sennett dat er veel economische structuren moeten worden afgebroken om met de klimaatverandering te kunnen omgaan, maar dat hij bij de jonge generatie wel degelijk de bereidheid ziet om dat ook daadwerkelijk te doen:

Ik ben oud (…) [maar] het idee dat je een brommerige oude dag in gaat als je oud bent, dat je denkt dat de wereld naar de knoppen gaat, dat is niet hoe ik wil sterven. En ik zie de tekenen bij de jongeren in Europa, de VS en in landen daarbuiten. Ik denk niet dat zij suïcidaal zijn op de zelfbeschadigende manier van rechts. De achteruit kijkende masturbatie waar uiterst rechts zich aan overgeeft, heeft hun niets te bieden. Ik geloof dat de nieuwe generatie jongeren in dat opzicht is ontwaakt. De jongeren van nu zijn een veel bewustere generatie dan de mijne was. Misschien is het alleen mijn manier om de dood weg te houden. Maar ja, ik ben optimistischer, en ook linkser dan ik vroeger was. Ik dacht zelf op middelbare leeftijd ook dat de maatschappij op instorten stond. Dat geloof ik helemaal niet meer. Ik denk dat we grote problemen hebben, maar dat mensen ze zullen aanpakken.[99]

Het lijkt er na het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw op dat de optimisten gelijk beginnen te krijgen. ‘World leaders’, sprak de zestienjarige Greta Thunberg – in 2019 als de jongste ooit door het tijdschrift Time gekozen person of the year en door de Canadese Margaret Atwood, schrijfster van de dystopische roman A Handmaid’s Tale, benoemd als de nieuwe Jeanne d’Arc − op de VN-Klimaattop in 2019 met een van ingehouden woede trillende stem, ‘How dare you… you have taken my dreams and my childhood… we will never forgive you.’[100] Haar voorbeeld werd over de hele wereld door de jonge generatie met protestbijeenkomsten en schoolstakingen gevolgd. Wordt vervolgd…

Minder activistisch en veel beter doordacht, meer gebaseerd op hersenactiviteit dan op onderbuikgevoelens is het boek ‘Er is leven na de groei‘ van Paul Schenderling, waarin hij – verwijzend naar Thomas Piketty’s kritiek op de verspillingseconomie – voorrekent hoe we een samenleving zonder economische groei en zonder verlies van comfort in stand kunnen houden.1

1. Paul Schenderling,Er is leven nma de groei. Hoe wij onze toekomstrealistisch veiligstellen, Bot Uitgevers 2022.

  1. Max Nordau, uit: Asa Briggs and Daniel Snowman, Fins de Siècle, How Centuries End, 1400-2000, Yale University Press 1996, blz. 174-175.

  2. Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986, blz. 2.

  3. Friedrich Nietzsche, uit: Walter Kaufmann, Nietzsche, philosopher, psychologist, antichrist, Princeton University Press 1974, blz. 96.

  4. Peter Gay, Sigmund Freud; zijn leven en werk, (vert. Bert van Rijswijk), Tirion 1989, blz. 9.

  5. Pieter van Strien, Psychologie van de wetenschap. Creativiteit, serendipiteit, de persoonlijke factor en de sociale context, Amsterdam University Press, 2011, blz. 213.

  6. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 11.

  7. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 39.

  8. Ewoud Kieft, Het verboden boek; Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme, Atlascontact 2017, blz. 148-149.

  9. Ewoud Kieft, Het verboden boek; Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme, Atlascontact 2017, blz. 149.

  10. Philipp Blom, Wat op het spel staat, (vert. W. Hansen), De Bezige Bij 2017, blz. 154.

  11. Philipp Blom, Wat op het spel staat, (vert. W. Hansen), De Bezige Bij 2017, blz. 83-84.

  12. Elize de Mul, in: Onszelf voorbij. Kijken naar wat we liever niet zien, De Arbeiderspers 2018, bls. 63.

  13. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 2.

  14. Ben van der Velden, De Rijn. Een taaie en koppige grens, Athenaeum, Polak & Van Gennep 2015.

  15. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 4.

  16. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 59.

  17. André Klukhuhn, Licht. De Nederlandse Repibliek als bakermat van de Verlichting, De Bezige Bij 2016.

  18. Philipp Blom, Wat op het spel staat, (vert. W. Hansen), De Bezige Bij 2017, blz. 187-190.

  19. Slavoj Žižek, Living in the End of Times, Verso 2010, blz. x.

  20. Jeroen Vanheste, Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur, Damon 2017, blz. 261.

  21. Rob Riemen (red.), De terugkeer van Europa. Haar tranen, daden en dromen, Nexus 2015, blz. 299-300.

  22. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 31.

  23. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 22.

  24. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 64.

  25. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 94.

  26. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 35.

  27. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 74.

  28. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 65.

  29. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 63.

  30. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 96.

  31. Philipp Blom, Wat op het spel staat, (vert. W. Hansen), De Bezige Bij 2017, blz. 164-166.

  32. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 5-6.

  33. Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986.

  34. Louise O. Frresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 93.

  35. Frans Saris, Waartoe wetenschap?, Leiden University Press 2007, blz. 17.

  36. Peter Sloterdijk, Eurotaoïsme; over de kritiek van de politieke kinetiek, (vert. W. Hansen), De Arbeiderspers 1991, blz. 100.

  37. Paul Ehrlich, Anne Ehrlich, The Population Explosion, Simon and Schuster 1990.

  38. Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 365-366.

  39. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 18.

  40. Ivan Krastev, After Europe, University of Pennsylvania Press 2017, blz. 108.

  41. Paul Ehrlich, Anne Ehrlich, The Population Explosion, Simon and Schuster 1990, blz. 299.

  42. ‘Wedden om de aarde’, De Volkskrant, 12-1-1991.

  43. Gajus Plinius de Oudere, in: Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 375.

  44. Gajus Plinius de Oudere, in: Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 380.

  45. Emil Cioran, ‘Over een uitgebluste beschaving’, in: Bestaan als verleiding; essays, Historische Uitgeverij 2001, blz. 53.

  46. David Epstein, Waarom generalisten verder komen, (vert. Menno Grootveld), Prometheus 2020, blz. 244.

  47. Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 398.

  48. Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 399.

  49. Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs. Voedsel in tijden van schaarste en overvloed, Bert Bakker 2012, blz. 400.

  50. Bruno Latour, Oog in oog met Gaya. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime, (vert. Rokus Hofstede, Katrien Vandenberghe), Octavo 2017, blz. 306.

  51. Bruno Latour, Oog in oog met Gaya. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime, (vert. Rokus Hofstede, Katrien Vandenberghe), Octavo 2017, blz. 21-25.

  52. Yuval Noah Harari, Homo Deus, een kleine geschiedenis van de toekomst, (vert. Inge Pieters), Thomas Rap 2018), blz. 32.

  53. Bruno Latour, Oog in oog met Gaya. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime, (vert. Rokus Hofstede, Katrien Vandenberghe), Octavo 2017, blz. 25.

  54. David Wallace-Wells, De onbewoonbare aarde, (vert. Aad Janssen, Pon Ruiter), De Bezige Bij 2019, blz. 265.

  55. Wouter van Noort, Marike Stellinga, ‘Klimaatverandering is onze nieuwe Wereldoorlog’, NRC 23 november 2019.

  56. David Wallace-Wells, De onbewoonbare aarde, (vert. Aad Janssen, Pon Ruiter), De Bezige Bij 2019, blz. 273-274.

  57. Richard Tol, ‘Klimaatcircus moest maar eens ophouden’, NRC Handelsblad, 25 mei 2012.

  58. https://nl.wikipedia.org/wiki/Klimaatconferentie_van_Bonn_2017

  59. ‘Storm hoort bij eeuwwisseling’, Het Parool, 27-2-’90.

  60. Dennis Meadows, Rapport van de Club van Rome; grenzen aan de groei, Het Spectrum 1972.

  61. Michel Houellebecq, Platform; Midden in de wereld, (vert. Martin de Haan), De Arbeiderspers 2002, blz. 110.

  62. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014.

  63. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 3-4.

  64. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 4.

  65. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 5.

  66. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 14.

  67. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 19-20.

  68. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 22.

  69. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 23-24.

  70. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 28-30.

  71. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 84.

  72. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 175.

  73. Yuval Noah Harari, Homo Deus, een kleine geschiedenis van de toekomst, (vert. Inge Pieters), Thomas Rap 2018), blz. 319.

  74. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 255.

  75. Nick Bostrom, Superintelligence. Paths, Dangers, Strategies, Oxford Univerity Press 2014, blz. 259.

  76. Luciano Floridi, ‘Moeten we bang zijn voor AI? Over Singularitarianen en AItheïsten,’ De Groene Amsterdammer 17-05-2018.

  77. Royton Roberts, Serendipity, Accidental Discoveries in Science, Wiley 1989, blz. 161.

  78. James Le Fanu, The Rise and Fall of Modern Medicine, Little, Brown & Company 1999, blz. 7-10.

  79. Patrick J. Hannan, Serendipity, Luck and Wisdom in Research, iUniverse, Inc (printed on demand) 2006, blz.16.

  80. Alexander Fleming, in: Edward Tenner, Why Things Bite Back; New Technology and the Revenge Effect, Fourth Estate 1996, blz. 58-59.

  81. ‘Onderzoek naar MRSA. Bacterie groot probleem voor ziekenhuizen’, NRC Handelsblad, 21 juni 2006.

  82. Hester van Santen, ‘Steeds meer resistente bacteriën’, NRC Handelsblad, 6 februari 2007.

  83. ‘Patiënt dood door resistente bacterie’, NRC Handelsblad, 25-09-2010.

  84. ‘Superbacterie rukt op in Britse ziekenhuizen’, Trouw, 12-08-2010.

  85. ‘Resistente bacterie gevonden in rauwe groenten’, NRC Handelsblad, 19-04-2011.

  86. Peter Vermij, ‘Met ziekteverwekkers de vijand te lijf’, Het Parool 5-1-1991.

  87. Blaise Pascal, Gedachten, (vert. Frank de Graaff), Boom 1997, blz. 166.

  88. Hidde Boersma, ‘Verf de wereld wit en zet de zon uit. Geo-engineering: een slecht idee dat we toch nodig gaan hebben’, Dr Groene Amsterdammer, 17-05-2018.

  89. Bruno Latour, Oog in oog met Gaya. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime, (vert. Rokus Hofstede, Katrien Vandenberghe), Octavo 2017, blz. 159.

  90. Jelle Zijlstra, Per slot van rekening. Memoires, Contact 1992, blz. 262.

  91. Jelle Zijlstra, Per slot van rekening. Memoires, Contact 1992, blz. 263.

  92. Jelle Zijlstra, Per slot van rekening. Memoires, Contact 1992, blz. 272-273.

  93. Jelle Zijlstra, uit: Ad Fransen, André Klukhuhn, ‘Jelle Zijlstra’, HP/De Tijd 1 mei 1992.

  94. Philipp Blom, Wat op het spel staat, (vert. W. Hansen), De Bezige Bij 2017, blz. 185.

  95. Bruno Latour, Oog in oog met Gaya. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime, (vert. Rokus Hofstede, Katrien Vandenberghe), Octavo 2017, blz. 158.

  96. Jelle Zijlstra, uit: Ad Fransen, André Klukhuhn, ‘Jelle Zijlstra’, HP/De Tijd 1 mei 1992.

  97. Jelle Zijlstra, Per slot van rekening. Memoires, Contact 1992, blz. 275.

  98. Jelle Zijlstra, Per slot van rekening. Memoires, Contact 1992, blz. 21.

  99. Richard Sennett, in: Rutger van der Hoeven, ‘Werk is niet alleen een loonstrook’, De Groene Amsterdammer, november 2018.

  100. Greta Thunberg op de VN-klimaattop 2019.