EINDTIJD OF WEDERGEBOORTE

1. De eeuwwenden2. Het fin de siècle 1900 en op weg naar het fin de millénaire3. Fin de millénaire

Om zijn reputatie als bezienswaardig dier gestand te doen voert de mens het bewustzijn, vluchtig verschijnsel bij uitstek, op tot het punt waarop het explodeert en hij met haar in stukken wordt gereten. In deze zelfvernietiging vervult hij zijn essentie, volbrengt hij zijn taak: zijn eigen vijand te worden. Wordt zijn experiment ooit herhaald? Gezien de aard van de onderneming is er weinig hoop op navolging: alles wijst erop dat het de laatste gril was die de natuur zich veroorloofde. [1] Ik weet niet of het terecht is om over het einde van de mens te spreken, maar ik ben overtuigd van de ineenstorting van alle verzinsels waarin we tot op de dag van vandaag hebben geleefd. Laten we zeggen dat de geschiedenis eindelijk haar nachtzijde onthult en dat, om in het vage te blijven, een wereld te gronde gaat. Stel nu eens dat ik als enige zou kunnen verhinderen dat zoiets zich daadwerkelijk voltrok, welnu: ik zou geen vinger uitsteken.[2]
(Emil Cioran)

A picture containing text, person, person

Description automatically generated

De eeuwwenden

In het doodtij van de overgang van het tweede naar het derde millennium kwamen we oog in oog te staan met de Romeinse drempelgod Janus die met het naar het verleden gekeerde exemplaar van zijn twee gezichten somber dan wel verbaasd terugkijkt op wat er in het verleden is aangericht en met het andere hoopvol dan wel bezorgd vooruitblikt naar de toekomst.

A close-up of a human skull

Description automatically generated with low confidence

Ook kregen we gezelschap van de norse dwerg op de poortweg in Friedrich Nietzsches Aldus sprak Zarathoestra – ‘al wat recht is liegt, alle waarheid is krom, de tijd zelf is een cirkel’.[3] Beiden, Janus en de dwerg, roepen ons ter verantwoording over wat we met de voorbije moderne eeuwen hebben gedaan, en wat we van plan zijn met de komende postmoderne te zullen gaan doen, als na de impasse de tijd opnieuw op gang zal zijn gekomen.

Nu heeft Nietzsche geen millenniumwende mogen meemaken, en vanwege zijn deplorabele geestelijke toestand aan het eind van zijn leven zelfs geen eeuwwende, maar ook een jaarwisseling was voor hem al reden genoeg voor kritische zelfbeschouwing. Bij zo’n gelegenheid werd hij overvallen door ‘heftige gevoelens over het afgelopen jaar en de brandende vraag wat de toekomst zou brengen’, emoties die hij tijdens de overgang van 1863 naar ’64 muzikaal vastlegde in Eine Sylvesternacht, een grote fantasie voor viool en piano.[4] In een brief aan zijn moeder schreef hij dat in zulke uren beslissende voornemens worden geboren, dat de tijd zich voor een paar uur groots aan ons voordoet en we dan haast buiten onze eigen ontwikkeling treden. Het verleden wordt schriftelijk vastgelegd en veilig opgeborgen en we verkrijgen de moed en de vastbeslotenheid om onze weg verder af te leggen.[5]

Om alle misverstanden te voorkomen en mogelijk geheel ten overvloede: omdat het kindje Jezus volgens de overlevering op de aarde kwam aan de vooravond van het jaar 1 van de christelijke jaartelling, en niet aan het begin van het jaar 0, gaat ook een nieuwe eeuw in op de eerste dag van het eerste jaar, bijvoorbeeld op 1 januari 1901 en niet op 1 januari 1900. Dat het tot een taai misverstand heeft geleid blijkt uit de heftige discussies die daarover werden gevoerd in het decembernummer uit 1699 van het toentertijd populaire Franse tijdschrift Mercure Galant: ‘Sommigen beweren dat de eeuw op het punt staat te beginnen, anderen betogen dat die pas zal beginnen in 1701.’[6] Hetzelfde geldt uiteraard voor het huidige millennium dat op 1 januari 2001 is begonnen, en dus weinig heeft te maken met alle commotie bij de overgang van 1999 naar 2000, veroorzaakt door een met huiver aangekondigd maar uitgebleven wereldwijd computerpandemonium in verband met de millenniumbug. Maar als we het hier hebben over verschijnselen die samenhangen met de eeuw- of millenniumwende, dan wordt geen scherpe datum, maar een ruime periode van soms wel enige tientallen jaren rond 1 januari van het eerste jaar van de eeuw of het millennium bedoeld. Zo wordt de Eerste Wereldoorlog, die zich afspeelde tussen 1914 en 1918, algemeen beschouwd als het tumultueuze afscheid van de negentiende eeuw en is de overgang van het tweede naar het derde millennium, het terugblikken en het vooruitkijken naar de eenentwintigste eeuw al zo vroeg begonnen dat de twintigste eeuw wel de kortste van alle eeuwen tot nu toe wordt genoemd, en bevonden we ons in de eerste decennia van het nieuwe millennium met zijn rampzalige oorlogen, virale pandemieën en ecologische bedreigingen mogelijk nog midden in de nasleep van het oude.

De rechtlijnige voortgang dan wel de golfbeweging van de tijd

De vraag naar de aard en de betekenis van het verschijnsel jaar-, decennium-, eeuw- of millenniumwende is natuurlijk wel vaker gesteld. Gaat het bij dit soort gelegenheden slechts om een eigenaardigheid van het op onze toevallige tienvingerigheid gebaseerde rekenstelsel en de willekeur van het moment van Jezus Christus’ geboorte of besnijdenis, gebeurtenissen die wij dankbaar en gretig aangrijpen om van sommige punten op de van zichzelf saaie, strikt lineaire tijdas iets bijzonders te maken? Zoals bijvoorbeeld Thomas Mann in De Toverberg de tuberculeuze Hans Castorp de tweewekelijkse concerten van de plaatselijke harmonie van het kuuroord als feestelijke merktekens in de verder dodelijk saaie en rimpelloos verglijdende tijd laat slaan, uit een dringende behoefte om tenminste enig structureel houvast te hebben? Heeft Mann gelijk als hij schrijft dat de tijd in werkelijkheid geen cesuur kent, dat er geen geknal en bazuingeschal klinkt aan het begin van een nieuwe maand of een nieuw jaar, en dat zelfs bij het begin van een nieuwe eeuw alleen wij mensen het zijn, die schoten lossen en klokken luiden?[7] Is het leven alleen maar mogelijk, zoals de graficus Maurits Escher dacht, als de zintuigen contrasten kunnen waarnemen, en dat om die reden een te lang aanhoudende ééntonige orgelklank ondraaglijk wordt voor het oor, en een uitgestrekt effen muuroppervlak of de wolkeloze hemel ondraaglijk voor het oog?[8] Zo zou een rechtlijnige, structuurloze tijd ondraaglijk kunnen zijn voor het zintuig of orgaan, ergens in de hersenen of de buik, waarmee we de voortgang van de tijd registreren.

Geen wonder dan dat we bij het passeren van een rond getal in de tijdrekening even de pas inhouden om de balans te kunnen opmaken, om achterom te kijken naar wat we precies hebben aangericht en te orakelen over wat we in de naaste toekomst allemaal te doen of te verwachten hebben. Of zouden er echt volgens het principe van een aanhoudende golfbeweging of nietzscheaanse rondgang met een één-, tien-, honderd- of duizendjarige periodiciteit en met de vroege ochtend van 1 januari van het jaar 1 als oorsprong onontkoombare gebeurtenissen plaatsvinden die van beslissende invloed zijn op het verdere verloop van de geschiedenis, mogelijk zelfs bepalend voor het voorzegde definitieve einde, zoals Oswald Spengler met zijn De ondergang van het Avondland wilde aantonen? In het laatste geval zou volgens de van huis uit Belgische scheikundige en historicus George Sarton onverklaard blijven dat eindtijdgevoelens zich ook al voordeden ten tijde van Hesiodus omstreeks 800 vóór Christus, ‘in een tijd die op de onze lijkt’, waarin nadenkende mensen peinsden over de puinhopen, de ellende en de chaos die voortkomen uit oorlog en moreel verval, en die in hun teleurstelling geneigd waren te denken dat de wereld met de dag slechter wordt en nodig tot een eind moet komen. Dit soort sociaal pessimisme zou ons modern kunnen aandoen, schreef Sarton in 1960, omdat enige van onze tijdgenoten in een vergelijkbare geestestoestand verkeren, maar het nodigt ook uit om de vergelijking met oude tijden te maken. In zekere zin is het idee dat alles van kwaad tot erger vervalt en dat de wereld naar de duivel gaat van alle tijden, of beter nog iets dat iedere keer weer opduikt als het sociale evenwicht gewelddadig verstoord is door oorlogen, revoluties of andere rampen. Zelfs als zich geen rampen voordoen kan het idee postvatten in het hoofd van een ouder wordend mens van wie lichaam en geest gestaag aan het aftakelen zijn, of die het geduld mist voor de langzame emancipatie en de schijnbare eigenzinnigheid van de nieuwe generatie.[9]

Ook Immanuel Kant zag de somberheid in zijn tijd over de voortgang van de wereld in een ver verleden geworteld:

Dat het met de wereld treurig gesteld is, is een jammerklacht die zo oud is als de geschiedenis of zelfs als de nog oudere dichtkunst, ja ze is net zo oud als de oudste van alle verdichtingen, de priesterreligie. Niettemin laten ze allemaal de wereld beginnen bij het goede: bij een gouden tijdperk, bij het leven in het paradijs, of bij een nog gelukkiger leven, tezamen met hemelse wezens. Maar ze laten dit geluk snel als een droom verdwijnen en de mens vervolgens nog sneller van kwaad tot erger vervallen, zodat we nu (dit ‘nu’ is echter zo oud als de geschiedenis) in de laatste tijd leven en de jongste dag en de ondergang van de wereld voor de deur staan.

Maar Kant zag ook de optimistische tegenhanger:

Recenter, maar veel minder wijdverbreid, is de tegenovergestelde heroïsche opvatting, die waarschijnlijk alleen onder filosofen en in onze dagen voornamelijk onder pedagogen opgeld doet, dat de wereld onophoudelijk (ofschoon nauwelijks merkbaar) juist de omgekeerde richting opgaat, namelijk van het slechtere naar het betere, of dat tenminste de aanleg daarvoor in de menselijke natuur is te vinden.[10]

Mogelijk zijn beide opvattingen over het aanzien van de tijd − de grillige, van binnenuit beleefde tijd met zijn verschillende gevoelsinhouden en tempowisselingen, en de lineaire, regelmatige, in klassieke of relativistische formules te vangen fysische tijd die heerst in onze voorstelling van de buitenwereld − even geldig en komt de schijnbare strijdigheid voort uit de complementaire samenhang, maar principiële onverenigbaarheid van onze beide kenwijzen. Janus verschijnt ons overal waar zich een drempel voordoet, of dat nu in de ruimte is, in de tijd, of in onze geest, en wie weet gaat het in deze drie gevallen wel om één en dezelfde drempel. Naast de subjectief ervaren tijd, schrijft Kant ook nog, bevindt zich immers ook de fysische tijd, als zuivere aanschouwingsvorm, eerder in onze geest dan in een daarvan onafhankelijke buitenwereld, zij het dat het ‘nu’ in de ervaren tijd de indruk wekt er altijd te zijn, terwijl wat ons leven op aarde betreft het ‘nu’ in de fysische tijd als oneindig dun scheidingsvlak tussen wat al geweest is en wat er nog aan komt nauwelijks bestaansrecht heeft. Dat geldt overigens alleen voor het ‘nu’ op de plaats waar we ons zelf bevinden: overal elders in het universum heeft het ‘nu’ wel degelijk duur, en hoe verder van ons ‘hier’ verwijderd hoe langer het ‘nu’ daar duurt’ (Zie hoofdstuk XI).

Maar werkelijkheid of van eigen maaksel, eeuw- en millenniumwenden blijven opvallende tijdsverschijnselen die vaak gepaard gaan met gevoelens van treurigheid, rampspoed, verval en ondergang, meestal vergezeld van of gevolgd door hoop op en verlangen naar een nieuw en beter begin, na Hesiodus voor het eerst geboekstaafd door een monnik in de periode rond het jaar 1000 en met een voorlopig relatief diepte- en hoogtepunt aan het eind van de negentiende eeuw. Zo schreef Émile Zola in 1899 − wegens zijn rol bij de affaire Dreyfus uit Frankrijk weggevlucht naar Engeland – in een brief aan een vriend:

Ik vraag me af of we niet op weg zijn naar een of ander finaal cataclysme. Ik verwacht een ramp, ik weet niet wat voor een, waarin we allemaal verzwolgen zullen worden. Ik geloof echt in het totale einde.[11]

In dezelfde tijd en hetzelfde land was de schrijver en dichter Thomas Hardy een van degenen die zich over de drempel van de dreigende rampspoed heen konden verheugen op het zich aankondigende nieuwe begin: ‘Allemaal nieuwe ogen, nieuwe geesten, nieuwe modes, nieuwe idioten, nieuwe wijzen.’[12] Maar men kon zich evengoed verliezen in een hang naar een lang vervlogen verleden waarin een ‘gouden tijd’ werd herkend.

Het einde

Als een van de meest productieve voorspellers van onheil aller tijden heeft de astroloog Michel Nostradamus, ook wel de Franse Janus genoemd, in zijn in 1555 verschenen en in de vorm van honderd stanza’s elk geschreven Les vraies centuries et prophéties (De ware eeuwen en voorspellingen) ook een apocalyptisch kwatrijn aan de maand juli van het jaar 1999 gewijd:

Het jaar 1999 en zeven maanden,
Uit de hemel zal een grote Koning van de angst komen,
Om de grote Koning van Angoulmois weer tot leven te wekken;
Ervoor en erna zal Mars naar hartelust heersen.[13]

A picture containing text, indoor

Description automatically generated

Dat de in het kwatrijn vermelde maand zonder noemenswaardige problemen is verstreken ontmoedigt de tegenwoordige aanhangers van Nostradamus’ profetieën en apocalypsen allerminst, maar inspireert ze slechts tot het verzinnen van ingewikkelde theorieën om de voorspellende kracht ervan te redden. Zo wordt ‘het jaar 1999’ in die kringen wel beschouwd als een versleutelde weergave van ‘het jaar 9111’, wat dan weer geschreven kan worden als ‘9-11-1’, waarmee de aanslag op de torens van het WTC in New York op 11 september 2001 door Nostradamus tot op de dag nauwkeurig correct voorspeld blijkt te zijn.

Dat we nu geen idee hebben wie Nostradamus met zijn koningen bedoelde – hypotheses genoeg maar geen enkel bewijs − en van zijn vele voorspellingen van de definitieve eindtijd nog geen enkele is uitgekomen, betekent allerminst dat de apocalyptiek als verschijnsel geen betekenis zou hebben. De Amerikaanse historicus Eugen Weber schrijft dat het geloof in de Apocalyps lange tijd de sleutel tot de menselijke geschiedenis is geweest. Zelfs als het vandaag de dag niet meer is dan een vage notie van simpele zielen met betrekking tot de loop van de geschiedenis, dan nog verdient het serieuze aandacht.[14] Als we die serieuze aandacht ook opbrengen dan blijken we terecht te komen bij de godsdienst en aanverwante gebieden waar het geloof, de openbaring, het visioen en de mystiek thuishoren. Want dat de Apocalyps zo’n sleutelrol heeft gespeeld in de geschiedenis vanaf de late Oudheid is voornamelijk te danken aan de laatste twintig bladzijden van het Nieuwe Testament, die een zekere Johannes – mogelijk niet de apostel en evangelist die nog met Jezus aan het laatste avondmaal heeft gezeten, maar een naamgenoot die wat later leefde – heeft besteed aan een serie hem op het Griekse eiland Patmos geopenbaarde visioenen waarin hij Jezus Christus te zien kreeg:

Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst. Zijn hoofd en haren waren wit als witte wol of als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s.[15]

Johannes ontving bij die gelegenheid de opdracht om alles wat hij te zien en te horen kreeg op te tekenen en aan zijn medemensen over te brengen, waarna hem in een nieuw visioen God zelf verscheen, met in zijn rechterhand een zevenmaal verzegelde boekrol.[16] Toen de eerste vier zegels een voor een werden verbroken verschenen er achtereenvolgens vier gewapende ruiters op verschillend gekleurde paarden – van wie de vierde, gezeten op een vaalgroen rijdier, de dood zelf was – en de mensheid bestookten met oorlog, honger, pest en wilde dieren.

Bij het vijfde zegel verschenen de zielen van de martelaren die voor hun geloof waren gestorven en bij het zesde zegel zag Johannes:

hoe er een zware aardbeving kwam. De zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood. De sterren vielen op aarde, zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt. De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op. Geen berg of eiland bleef op zijn plaats. Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen. Zij riepen de bergen en de rotsen toe: ‘Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam! Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’[17]

Dat zou al een mooi apocalyptisch einde van Johannes’ visioenen zijn geweest, maar het ergste moest toen nog komen, want na het openen van het zevende zegel verschenen er zeven engelen, elk voorzien van een bazuin. Toen de ene na de andere engel zijn bazuin stak werd er onder donderslagen en bliksemstralen hagel en vuur vermengd met bloed op de aarde en een berg van vuur in zee geworpen, viel er een grote, als een fakkel brandende ster uit de hemel en werd een deel van de zon, de maan en de sterren verduisterd. Na vier bazuinstoten werden de laatste drie door een overvliegende arend als drie nog te verduren ‘weeën’ aangekondigd: ‘Wee! Wee! Wee de mensen die op aarde leven! Want dadelijk klinken de bazuinen van de drie engelen die nog niet geblazen hebben.’[18] En er kwam uit een gapende afgrond een zonsverduisterende wolk sprinkhanen ter grootte van paarden met het uiterlijk van schorpioenen tevoorschijn, gevolgd door een horde ruiters op paarden met leeuwenkoppen die zwavel en vuur uitbraakten, waarna de aarde beefde, het weer vuur begon te regenen en het nodige water in bloed veranderde. Er kwam een beest uit de zee, met tien horens en zeven koppen, met het uiterlijk van een luipaard, maar met de poten van een beer en een muil van een leeuw. Nog een beest verscheen, maar nu uit de aarde en met niet meer dan twee horens, waarna de conclusie luidde: ‘Hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die inzicht heeft het getal van het beest ontcijferen; er wordt een mens mee aangeduid. Het getal is 666.’[19]

A picture containing text, book

Description automatically generated

Nog waren Johannes’ visioenen niet ten einde want zeven engelen moesten nog uit zeven gouden schalen Gods gramschap over de aarde uitstorten, maar dat leverde niets nieuws meer op, alleen meer van hetzelfde: vuur, bloed, monsters, pijniging en dood. Tenslotte werden het beest en zijn profeet verslagen en levend in een poel van brandend zwavel geworpen, de duivel werd gegrepen en voor duizend jaar in een afgesloten afgrond geworpen, alvorens even te mogen terugkeren. De doden zouden nog tot leven gewekt worden en geoordeeld op grond van wat er in de boeken over hen geschreven staat en in de vuurpoel ter dood worden gebracht voor zover ze niet door de beugel konden. Op de valreep voegde Jezus de naarstig aantekeningen makende Johannes nog toe: ‘Houd de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij.’[20] Geen wonder dus dat de massa vrome gelovigen met een niet al te zuiver geweten iedere nieuw voorspelde eindtijd met angst en beven tegemoet zagen.

Maar voor de uitverkorenen was het nu allemaal volbracht en stond een nieuwe, glorierijke tijd op aanbreken:

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. Hij, die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw.’[21]

Ondanks het dringende advies van de overigens zo invloedrijke kerkvader Augustinus in het begin van de vijfde eeuw om Johannes’ Apocalyps toch vooral niet letterlijk te nemen:

Verbaast het u dat de wereld in verval raakt? Dat de wereld oud wordt? Denk eens aan de mens: hij wordt geboren, hij groeit op, hij wordt oud. De ouderdom komt met gebreken: hoesten, beven, slechte ogen, angst, verschrikkelijke vermoeidheid. Een mens wordt oud; de wereld is oud; ze is vol beklemmende beproevingen. Vreest niet: Uw jeugd zal zich vernieuwen als een adelaar,[22]

valt alles wat er sindsdien in de christelijke wereld over apocalypsen, eindtijden en wederkomsten is geschreven, en dat is nogal wat, op deze tekst te herleiden.

Verder kan er nog vermeld worden dat de Apocalyps niet alleen een hoofdrol speelt in het christendom en de andere monotheïsmen die hun wortels met het christendom gemeen hebben: jodendom en islam − in de Koran wordt de hel beschreven als een vuurkuil, overschaduwd door zwarte rook en vonken spattend als gele kamelen − maar ook in allerlei mythologieën waarin verwoesting wordt gevolgd door wederopbouw. In de Griekse mythologie overleven Deucalion, een zoon van Prometheus, en zijn vrouw Pyrrha de zondvloed die door de woede van Zeus over de aarde is gekomen, en hernieuwen het menselijke geslacht. In de derde eeuw v.Chr. populariseerde Berosus, een in het Grieks schrijvende Babylonische priester, de Chaldeeuwse doctrine van het Grote Jaar, volgens welke het universum eeuwig is maar periodiek wordt verwoest en hernieuwd in elk Groot Jaar, waarvan het aantal millennia varieert naar gelang de versie die de voorkeur krijgt. Wanneer de oud-Noorse goden in ‘Ragnarok’ door monsters worden vernietigd en de wereld ten onder gaat in vuur en water, overleeft de wereldboom Ygdrasil en baart een nieuwe man, Lif, en een nieuwe vrouw, Lifthrasir, die het begin vormen van een nieuw mensengeslacht.

A picture containing text, outdoor

Description automatically generated

Cyclische catastrofen en vernieuwingen kunnen dus als doodnormale verschijnselen worden beschouwd,[23] althans in de voorstellingen die de mens zich sinds heugenis van de wereld maakt.

Het begin

Als er een einde op de christelijke agenda prijkt, moet er ook sprake zijn geweest van een begin, en daaraan zijn de eerste twintig bladzijden van het eerste oudtestamentische Bijbelboek Genesis gewijd: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde! De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.’[24] Toen volgden er zes scheppingsdagen waarin God het licht en de duisternis, het uitspansel, de aarde en het jonge groen, de zon, de maan en de sterren, de vogels, de vissen en de kruipende dieren, en ten slotte, gemodelleerd naar zijn eigen evenbeeld, de mens tevoorschijn bracht als kroon op Zijn Werk, zag dat het goed was en besloot een dag rust te nemen.[25] Of het Hebreeuwse woord ‘bara’ wel goed vertaald is met ‘schiep’ en mogelijk ‘scheidde’ betekent, doet in dit verband niet ter zake.

De gebeurtenissen daarna zijn bepalend geweest voor de existentiële beslommeringen waarmee de mens zich sindsdien weet opgezadeld: het paradijs werd ingericht, waarin volgens de meest eenvoudige versie behalve Adam en de uit zijn rib gevormde levensgezellin Eva, ook de levensboom en daarnaast de boom van kennis een ereplaats in het midden kregen toegewezen.

De complicerende factor dat Eva mogelijk een even verleidelijke en verleidbare, net als Adam uit klei gevormde voorgangster Lilith had blijft hier verder buiten beschouwing.

De ellendige gevolgen zijn bekend: de mens liet zich door de slang verleiden, at een vrucht van de boom van kennis, werd zich bewust van zichzelf en zijn omgeving, verkreeg kennis van goed en kwaad, pleegde bedrog, schaamde zich opeens vreselijk voor zijn naaktheid, werd verbannen uit zijn paradijselijke toestand, plantte zich intussen naarstig voort, met Kaïn, Abel en Seth als eerste nageslacht, en bleek in staat zijn medemens het leven te benemen. En God, vóór die tijd een gemoedelijk figuur die het beheer van de aarde aan de mens in handen had gegeven en met zijn eigen handen op zijn rug door het paradijs kuierde, moest zichzelf toegeven dat er weinig van zijn goede bedoelingen terecht was gekomen. Het berouwde hem dat alles tot stand te hebben gebracht: ‘Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dit alles gemaakt te hebben’,[26] waarna de eerste apocalyptische gebeurtenis in de vorm van een zondvloed gestalte kreeg.

Alleen Noach kon in Gods ogen genade vinden, zodat naast een ark vol met gedierte hijzelf, zijn vrouw, zijn drie zonen en drie schoondochters als enige overlevenden moeten worden beschouwd als ons eigenlijke voorgeslacht, in geval we tot ergernis van Augustinus het Bijbelverhaal letterlijk zouden nemen.

De tussentijd

De eerste verhalen uit het Oude Testament over de schepping en de zondeval zijn, net als de homerische epen, mogelijk al opgetekend in de achtste eeuw v.Chr. – dus van nog oudere, zij het mondelinge herkomst − en in de vijfde eeuw v.Chr. samengevoegd tot de definitieve tekst die we nu als Pentateuch kennen. Dat de verhalen overal vandaan zijn gehaald is onmiddellijk duidelijk als we weten dat er in het Soemerische spijkerschrift al gebeurtenissen zijn opgetekend die later ook in de Bijbel zijn terechtgekomen. Zo valt er over koning Sargon van Akkad te lezen dat zijn moeder, een priesteres, zijn geboorte geheim wilde houden door hem in een rieten mandje op een rivier te laten wegdrijven, wat sterk overeenkomt met de lotgevallen van Mozes. En in het Soemerische Gilgamesj-epos wordt verhaald hoe Gilgamesj’ voorouder Utnapishtim en zijn vrouw als enigen een door de goden verordonneerde vernietiging van de aarde door een grote overstroming mochten overleven, daartoe een boot bouwden, van alle levende wezens één stelletje aan boord namen en zes dagen over de wateren rondzwierven alvorens op een bergtop te stranden,[27] wat volgens de Bijbel Noach en zijn familie overkwam.

Het Nieuwe Testament bestaat uit een viertal tussen 65 en 100 n.Chr. door de evangelisten Marcus, Lucas, Johannes en Matteüs geschreven biografieën die de geboorte, het leven, lijden, sterven en wederkomst van Christus tot hoofdthema hebben. In de woorden van de dichter en classicus Ilja Leonard Pfeijffer is het een provocerende collectie teksten, waarin een aantal ideeën worden gepropageerd die in het licht van de Griekse en Romeinse traditie ongehoord zijn, zoals het idee van schepping uit het niets, van de oerzonde en dat een god mens wordt en zich laat doden. Ook nieuw is dat het verhaal niet geloofwaardig is op grond van een redelijke onderbouwing, maar op grond van de onvoorwaardelijke acceptatie van absurditeiten als een openbaring, wedergeboorte als individu en het idee van naastenliefde. De literaire waarde van de onbeholpen geschreven collectie teksten is gering, stelt Pfeijffer, maar ontleent haar belang aan het feit dat zij het heilige boek is geworden van een van de vele religieuze sekten die in het Romeinse Rijk actief waren. Hun mysteriegodsdienst werd in de vierde eeuw de staatsgodsdienst van het rijk en wordt tot op de dag van vandaag in grote gebieden over de hele wereld beleden.[28] Vooral dit laatste verklaart dat ook de hele hedendaagse apocalyptiek en tijdrekening er op zijn terug te voeren.

De kalender

De voor zover bekend eerste dramatische verslaglegging van een eeuwwende − en tegelijk de eerste millenniumwende − dateert uit het vroege begin van de elfde eeuw. Van eerdere algemeen voorkomende eeuwwendeverschijnselen kan ook nauwelijks sprake zijn vanwege het ontbreken van een breed geaccepteerde uniforme tijdrekening en een gestandaardiseerde kalender in Europa. In het dagelijkse leven rekende men meer in manen, zonnen, oorlogen en regeerperioden van belangrijke vorsten dan in een vaste jaartelling. Zo beschrijft de Griekse geschiedschrijver Thucydides het begin van de Peloponnesische oorlog als volgt:

In het vijftiende jaar van het bestand, in het achtenveertigste jaar van het priesterschap van Chrysis in Argos, toen Ainesias efoor was in Sparta en Pythodoros nog twee maanden had te gaan als archont in Athene, zes maanden na het gevecht bij Potideia, aan het begin van de lente, verschafte een Thebaanse legermacht zich gewapenderhand toegang tot Plataia.[29]

Thucydides plaatst de gebeurtenissen in de tijd aan de hand van priesterschappen, regeerperioden, oorlogen en veldslagen. Zestienhonderd jaar later was daar, gezien het begin van Robert de Clary’s verslag van de vierde kruistocht, weinig in veranderd, behalve dan dat de christelijke jaartelling inmiddels langzaam ingang aan het vinden was:

Het gebeurde in de tijd toen Innocentius paus was in Rome, Filips koning was van Frankrijk en een andere Filips keizer was van het Duitse Rijk, 1203 of 1204 jaar na de geboorte van Christus.[30]

Daarnaast hanteerde een kleine elite in het Westen wel officiële kalenders, maar het probleem met het opstellen daarvan was dat de bekende natuurlijke tijdseenheden − zoals de duur van een dag die bepaald wordt door de aardrotatie, de maand die samenhangt met de periodieke schijngestalten van de maan, en het enigszins willekeurig in vier seizoenen verdeelde zonnejaar veroorzaakt door de omloop van de aarde rond de zon − geen direct verband met elkaar houden. Wie een maandkalender hanteert, komt al snel in de problemen met de door het jaar heen verschuivende seizoenen, omdat er geen geheel aantal maanmaanden in een zonnejaar past.

Daar komt nog bij dat dag, maand en jaar door de tijd heen variëren: 600 miljoen jaar geleden draaide de aarde elke 22 uur om haar as – de getijdenbeweging van de oceanen vertraagt de aardrotatie − en had 400 dagen nodig om rond de zon te draaien. Vandaar dat natuurkundigen vanaf 1967 de tijd definiëren op basis van de door alle tijden heen constante frequentie van de straling die een cesiumatoom uitzendt bij de overgang tussen twee elektronentoestanden.[31]

Als devote zonaanbidders trokken de oude Egyptenaren zich weinig aan van de invloed van de maan, en deelden het jaar op in twaalf maanden van dertig dagen, een maand in drie weken van tien dagen en moesten er door het jaar heen nog vijf losse dagen worden ingevoegd om de seizoenen ongeveer op hun plaats te houden. De verdeling van het jaar in 36 weken was waarschijnlijk van astrologische oorsprong, omdat zo iedere week met een speciale constellatie van sterren die op de eerste dag van de week verscheen kon worden verbonden.[32] Met voorbijgaan aan de veelheid van Griekse kalenders omdat daar weinig systeem in te ontdekken valt, was er vanaf de zesde eeuw v.Chr. een Romeinse maandkalender in zwang, die begon bij 1 maart en twaalf maanden van totaal 355 dagen per jaar bevatte, en dus leed aan het bovenvermelde schrikkelprobleem, zodat er steeds een periode van tien dagen moest worden ingelast. Nadat in 159 v.Chr. het begin van het jaar naar januari – genoemd naar de drempelgod Januarius − was verplaatst liet Julius Caesar in 46 v.Chr. door het invoeren van schrikkeldagen een nieuwe verbetering in de kalender aanbrengen. Vijftig jaar later nam keizer Augustus de juliaanse tijdrekening met een kleine verbetering over en vernoemde een maand naar zichzelf die, om niet onder te doen voor de maand die naar Julius Caesar was vernoemd, ook 31 dagen moest bevatten. Keizer Constantijn I zorgde er in de vierde eeuw n.Chr. voor dat de zevendaagse week werd ingevoerd met de zondag als eerste dag, en in 526 besloot paus Johannes, op basis van berekeningen van de monnik Dionysius Exiguus over de geboortedatum van Christus, dat de christelijke jaartelling ingang moest vinden, waarmee de tijdrekening een vast aftelpunt had gekregen,[33],[34] abusievelijk het jaar 1 genoemd, omdat het veel meer voor de hand liggende getal 0 in Europa nog niet bekend was. Vanaf de tiende eeuw begon deze kalender in Europa langzaamaan wat algemener in gebruik te raken.

Maar er past ook geen geheel aantal dagen in een zonnejaar, zodat het probleem van de seizoenverschuiving door het jaar heen wel aanmerkelijk kleiner was geworden, maar niet definitief opgelost. Daarom liet paus Gregorius XIII in 1582 de kalender nogmaals bijstellen door in één keer van 4 naar 15 oktober te springen en het schrikkelsysteem in te voeren dat we nu nog kennen: één dag in de vier jaar op 29 februari. De verspringing in datum van elf dagen heeft tot verwarrend gevolg dat de heilige Teresa van Ávila is overleden in de nacht van 4 op 15 oktober 1582. De gregoriaanse tijdrekening werd in de eeuwen daarna eerst door alle Europese landen – in Engeland in 1752 en in het protestantse Zwitserland pas in 1812 − en later breed overgenomen. Niet meteen door de hele wereld, want daarnaast bestonden er ook nog de joodse en islamitische kalenders die hun jaartelling respectievelijk in 3760 v.Chr. en 622 − het jaar dat Mohammed van Mekka naar Medina verhuisde − lieten beginnen. De ongelijktijdigheid van de acceptatie van de gregoriaanse kalender in Spanje (1582) en Engeland (1752) is er de oorzaak van dat diezelfde elf dagen zitten tussen de sterfdagen van Miguel de Cervantes en William Shakespeare, hoewel ze op dezelfde datum (23 april 1616) zijn overleden. Ook wordt er wel verondersteld dat de verschillende data waarop de feesten van op dezelfde historische figuur gebaseerde Sinterklaas en Santa Claus op het verschil tussen gehanteerde kalenders is terug te voeren.

Ook de tegenwoordige kalender is niet geheel vrij van problemen. Nog steeds moet er af en toe een extra schrikkeldag worden ingevoegd om de seizoenen op hun plaats te houden. Maar er zijn ook nog andere oorzaken voor het aanbrengen van correcties. Als we ons beperken tot de rotatie van de maan om de aarde en van de aarde om de zon, dan is er wiskundig sprake van een drie-lichamenprobleem dat in essentie chaotisch is − kleine oorzaken die grote gevolgen kunnen hebben − en zich daarom in de toekomst verrassend kan ontwikkelen. En door de eb- en vloedbeweging van het oceaanwater neemt de rotatiesnelheid van de aarde langzaam af, wat ook weer van invloed is op het aantal dagen dat in een zonnejaar past. Maar dat zijn voorlopig nog twee zulke kleine afwijkingen dat we daar gedurende een normaal mensenleven weinig van merken.

Het tweede millennium

Net over de drempel van het volgens de christelijke jaartelling tweede millennium nam de Bourgondische monnik Rodulfus of Raoul Glaber het in de Bijbel door rampen en andere ellende aangekondigde begin van het duizendjarige vrederijk wel heel erg letterlijk en beschreef zijn wereld in termen van gedurig verkillende liefde, alom tegenwoordige onrechtvaardigheid en grote gevaren die de menselijke ziel zouden bedreigen.[35]

Text

Description automatically generated with low confidence

Maar hij zag apocalyptische gebeurtenissen ook als noodzakelijk voorwaarde voor vernieuwing: ‘Het was alsof de wereld zich bevrijdde en het verleden als een last van zich afwierp.’

Nog erger werd de toestand in het jaar 1033, duizend jaar na Christus’ kruisiging, toen de wereld volgens Glaber lag te blake­ren onder een saffraangele zon en tijdens een totale zonsverduistering in zo’n vreemde, saffierblauwe nevel werd gehuld dat de gezichten van de mensen er doodsbleek uitzagen. Daarbij werden ze door een zo vreselijke hongersnood geteisterd dat de mensen dachten:

dat de ordelijke opeenvolging van de seizoenen en de natuurwetten, die tot dan toe de wereld hadden geregeerd, tot eeuwigdurende chaos vervallen waren, en ze vreesden dat het met de mensheid gedaan was.[36]

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Otto III, tot Duitse keizer gekroond in 996 en bevriend met Glaber, een kleed droeg dat vol was geborduurd met taferelen uit de Apocalyps,[37] temeer daar in 989 de komeet van Halley langs het firmament was gevlogen, een duidelijk teken dat er niet veel tijd meer restte. Volgens andere historische verslagen gebeurde er nog heel wat meer tijdens de eerste millenniumwende − uitbarstingen van panische angst, zelfmoordgolven, de bevolking van hele steden die in de kerken samenstroomde, of zich verzamelde rond in de open lucht opgerichte kruisen, pelgrims die zichzelf met zwepen ranselden en visioenen hadden van brandende zwaarden en vlammende pijlen die door de lucht vlogen, gevangenen die werden vrijgelaten, tot ruïne vervallen huizen en kerken − maar dat is allemaal opgetekend door latere geschiedschrijvers en geheel terug te voeren op alles bij elkaar zeven regels uit een tekst van de laatzestiende-eeuwse kardinaal Cesare Baronio, die met dit fake news het kennelijk het voor het christendom zo betekenisvolle moment wat beter uit de verf wilde laten komen.[38]

Wat de dramatiek betreft lijkt onze millenniumwende wel op de vorige, alleen is het aantal regels dat er aan wordt besteed vele orden groter en is de oorzaak van de problemen toen niet terug te voeren op de omvang en het funeste gedrag van de hele wereldbevolking. Niettemin pleegden er in 1997 negenendertig leden van de Heaven’s Gate-cultus gezamenlijk zelfmoord omdat de komeet Hale-Bopp aan de hemel verscheen, waarvan hun leiders beweerden dat het een ruimteschip van buitenaardse wezens betrof, die korte metten met de bewoners van de aarde kwamen maken.[39] Ook bij latere eeuwwenden dan het jaar duizend kondigden zich in allerlei vormen dramatische gebeurtenissen aan, waarvan sommige ook werkelijk plaatsvonden. Vlak voor elfhonderd werd de eerste van een lange serie kruistochten op poten gezet: de bloedige expedities die westerse godsdienstfanatici uit adel en volk ondernamen voor de herovering op de moslims van de heilige plaatsen in Palestina, om zo de wederkomst van Christus voor te bereiden en te bespoedigen, een strijd die heden ten dage nog steeds voort woedt. Tegelijkertijd waren het de eerste pogroms, omdat de christelijke strijders de Joodse gemeenschappen die ze onderweg tegenkwamen en passant als bijvangst bij hun grote onderneming uitroeiden om de moord op Christus te wreken. Na de verovering van Jeruzalem in 1099 werden alle mannen, vrouwen en kinderen afgeslacht en werd de synagoge met de Joden die er binnen waren gevlucht in brand gestoken.[40]

A painting of a group of people riding horses

Description automatically generated with low confidence

Tegen het eind van de twaalfde eeuw vond de derde kruistocht plaats en stonden alle toen bekende planeten bij elkaar in het teken van de Weegschaal, wat in de geest van die tijd werd beschouwd als zo’n slecht voorteken dat een Spaanse astroloog, die zich Juan van Toledo noemde, een schrijven deed uitgaan waarin hij waarschuwt voor zware stormen en aardbevingen. Ongeveer tezelfdertijd verkondigde de abt Joachim van Fiore – kennelijk net zomin als Glaber op de hoogte van de optische verschijnselen die bij een totale zonsverduistering horen − dat het moment voor de opening van het zesde zegel was aangebroken, ‘met zijn aardbeving, zijn zon zo zwart als een boetekleed, zijn bloedrode maan, en zijn sterren die van de hemel zouden vallen als vijgen van een vijgenboom in de wind.’[41] Deze onheilstijdingen verspreidden zich snel over heel Europa en toen er in 1196 ook nog een komeet aan de hemel verscheen had dat, alweer volgens helaas niet al te betrouwbare bronnen, tot gevolg dat in Duitsland mensen schuilplaatsen begonnen te graven, in Perzië en Mesopotamië de kelders werden verstevigd, de Byzantijnse keizer in Constantinopel de ramen van zijn paleis liet dichtmetselen, en in Engeland de aartsbisschop van Canterbury een nationale vastentijd ter boetedoening afkondigde.[42]

Dante Alighieri, overtuigd millenarist en overgangsfiguur tussen Middeleeuwen en Renaissance, liet zijn uit honderd verzen bestaande Goddelijke komedie, waarin de dichter in gezelschap van Vergilius een reis maakt door de hel, het vagevuur en het paradijs, volgens sommigen veelbetekenend beginnen op de late avond van Witte Donderdag 7 april – volgens anderen op de vroege ochtend van Goede Vrijdag 8 april − van het jaar 1300:

Op ’t midden van ons levenspad gekomen,
Kwam ik bij zinnen in een donker woud,
Want ik had niet de rechte weg genomen.

Rondom mij dicht en doornig kreupelhout;
Ik kan niet zeggen hoe het mij bezwaarde,
Nu de herinnering mij weer benauwt:

Een bitterheid die doodsnood evenaarde.[43]

A picture containing text, outdoor

Description automatically generated

Aan het eind van de veertiende eeuw liet de dominicaanse hellevuurprediker St.-Vincent Ferrer met zijn Het einde van de wereld Europa sidderen en publiceerde Geoffrey Chaucer zijn Canterbury Tales, waarin dertig pelgrims ter boetedoening voor de zonden van de mensheid te paard een tocht ondernemen van Londen naar Canterbury, de tijd dodend door elkaar onderweg verhalen te vertellen. In de proloog van de laatste (nooit geschreven) vertelling door een pastoor uit het gezelschap wordt deze niet voor niets tot spoed gemaand:

Geef uw bespiegelingen ons ten beste,
Maar haast u, want de zonne wil naar ’t westen…[44]

omdat de wereld net zo naar het einde neigde als de dag dat deed.

Weer honderd jaar later, rond 1500, midden in de Italiaanse Renaissance, bracht Albrecht Dürer zijn vijftien apocalyptische prenten uit, waaronder die met de vier op woeste, alles en iedereen onder hun hoeven vertrappende paarden gezeten ruiters. Dürer wilde daarmee de sfeer weergeven van zijn tijd waarin de Apocalyps werd gezien als een groots symbool van het menselijke noodlot, zoals men dat toentertijd met angst en beven bij het naderen van de eeuwwende ervoer. Dürers invloed was groot genoeg om vrijwel meteen ook buiten de Duitse grenzen velen schrik aan te jagen.[45]

De minstens even vermaarde Italiaanse kunstenaar Sandro Botticelli schilderde in 1500 een voorstelling van de geboorte van Christus met bovenaan een in het Grieks gestelde tekst op een perkamentrol:

Ik Sandro schilderde dit schilderij aan het eind van het jaar 1500 tijdens de kommer en kwel in Italië in de halve tijd na de tijd overeenkomstig het elfde hoofdstuk van de heilige Johannes tijdens het tweede wee van de Apocalyps waarin de duivel gedurende drieënhalf jaar wordt losgelaten. Daarna zal hij in het twaalfde hoofdstuk worden geketend en zullen we hem vertrapt zien worden zoals op dit schilderij.[46]

Weer een eeuw later, op weg naar 1600 − de eeuwwende van de Verlichting en de wetenschappelijke revolutie − bedacht Miguel de Cervantes zijn Don Quichot, die zich bezighoudt met het bevechten van windmolens ‘met meer armen dan de honderd-armige gigant Briareus’,[47] en schreef de doorgaans nuchtere, maar soms door fin de siècle-gevoelens overmeesterde Michel de Montaigne in zijn Essays:

Welnu, we hoeven maar goed om ons heen te kijken: alles om ons heen stort in; kijk maar rond in alle grote rijken die we kennen, zowel binnen als buiten de christelijke wereld, en u zult merken dat ze onmiskenbaar door veranderingen en door de ondergang bedreigd worden. Sterrenwichelaars hebben gemakkelijk spel wanneer ze, zoals ze plegen te doen, ons aankondigen dat er grote veranderingen en omwentelingen op til zijn. Wat ze voorspellen is al zichtbaar en tastbaar aanwezig, daarvoor hoeven ze zich niet tot de hemel te wenden.[48]

Zelfs de optimistische vooruitgangsprofeet Francis Bacon raakte bij tijd en wijle gedeprimeerd en schreef in 1603:

Ik zie tegenwoordig een soort bedreigende neergang en verval van de nu gangbare kennis en ontwikkeling. Niet dat ik nog vrees voor barbaarse invasies, maar van de te verwachten burgeroorlogen waarvan ik denk dat ze zich over vele landen zullen verspreiden, van de verderfelijke godsdienstige sekten, en van de beknopte kunstgrepen en listen die in de plaats zijn gekomen voor solide eruditie voorzie ik een storm die niet minder fataal is voor literatuur en wetenschap.[49]

Maar veel van Bacons somberheid vindt mogelijk een verklaring in de psychische problemen die hij kreeg toen hij zijn eerdere boezemvriend Robert Devereux, graaf van Essex had verraden met diens doodstraf tot gevolg, een gebeurtenis waar ook William Shakespeare nog bij betrokken was en waarmee volgens Harry Mulisch het pact met de duivel zijn beslag kreeg dat uiteindelijk zou leiden tot de zo verderfelijke wetenschappelijk-industriële revolutie en de weg naar Auschwitz en Hiroshima werd vrijgemaakt.

Ook deed zich in de jaren negentig van de zestiende eeuw door het mislukken van de oogsten een lange tijd van honger en schaarste voor en was het weer rond 1600 uitgesproken slecht. De gletsjers strekten zich in deze Kleine IJstijd genoemde periode steeds verder uit naar het zuiden en bereikten in de winter van 1599-1600 hun maximale lengte. Stormen, hongersnoden en pestepidemieën leken heviger te woeden dan anders en de hemel stond boordevol slechte voortekenen: acht kometen gedurende de laat­ste twintig jaar van de eeuw en acht zonsverduisteringen in de laatste tien jaar. In zijn Midzomernachtsdroom, die in 1594 voor het eerst werd opgevoerd en in 1600 in druk verscheen, schreef Shakespeare:

Het voorjaar, de zomer,
de zwangere herfst, toornige winter, ruilen
hun gebruikelijke kleed, en naarmate dat verder gaat
weet de verbijsterde wereld niet meer welk seizoen het is.[50]

Daar staat tegenover dat rond 1600 in de Nederlandse Republiek de microscoop en de telescoop werden uitgevonden, waarmee de Verlichting en de Wetenschappelijke Revolutie werden ingeluid (zie hoofdstuk IV).

In de eeuwwende 1700 werd het apocalyptische denken er niet minder om, getuige bijvoorbeeld het in 1686 verschenen Vervulling van de Bijbelse profetieën van de Rotterdamse predikant Pierre Jurieu, en het in 1594 gepubliceerde A Plain Discovery of the Whole Revelation of St. John van de wiskundige en uitvinder van de logaritme John Napier, waarin deze op basis van zijn berekeningen al had voorspeld dat het met de wereld mogelijk al in 1688, maar op zijn laatst toch in 1700 zou zijn afgelopen.[51] Maar ook verscheen in 1695 als ‘verlicht’ tegengeluid John Lockes The Reasonableness of Christianity, waarin hij bepleitte dat miraculeuze gebeurtenissen rationeel verklaard moeten worden of anders afgedaan als bijgeloof.

De periode rond 1800 − de eeuwwende van de Franse politieke revolutie, de Engelse industriële revolutie en de Duitse idealistische revolutie − vormde geen uitzondering in de reeks van eind-eeuwse gevoelens van teloorgang en nieuwe hoop. Met name de Franse Revolutie was in de ogen van menigeen een voorteken van de apocalyps en Napoleon Bonaparte werd door Lev Tolstoj meteen al in de tweede zin van Oorlog en vrede de antichrist genoemd: ‘Ik geloof echt dat hij dat is.’[52] Hoewel Immanuel Kant zijn eeuw in 1785 met terugwerkende kracht had uitgeroepen tot de eeuw van de Verlichting en men in het algemeen vervuld was van vooruitgangsoptimisme, was ook de Romantiek, waarin Johann Wolfgang von Goethes Faust zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor kennis en macht, als anti-rationalistische tegenbeweging al goed op gang gekomen. Aan het begin van het grote gedicht zit Faust, radeloos tot aan zelfmoordneigingen toe, in zijn studeerkamer en klaagt zijn nood:

Nu heb ik dan filosofie,
Rechten en artsenij, en ach!
Helaas ook nog theologie
Terdege beoefend, nacht en dag
Daar sta ik nu, ik arme dwaas!
Zo wijs als in ’t begin helaas;
Ik heet Magister, heet Doctor zowaar,
En leid nu reeds bijna een tien jaar
Omhoog, omlaag en schuins en krom
Mijn leerlingen bij de neus rondom –
En merk: wij blijven toch eeuwig leken!
Dat doet mij schier het harte breken.[53]

En Goethes vriend Friedrich Schiller schreef in een brief in 1787: ‘Ik heb een crisis nodig – de natuur veroorzaakt een verwoesting om herboren aan iets nieuws te beginnen.’[54]

Ook Jean-Jacques Rousseau voorzag het einde van de westerse beschaving: ‘De Tataren worden onze meesters: de omwenteling lijkt me onafwendbaar,’[55] en de natuurfilosoof Friedrich von Schlegel hield zich intensief bezig met apocalyptische chronologie en numerologie en speurde naar heilige tekens en getallen die het tijdstip van het einde der tijden en van het laatste oordeel zouden openbaren, waarop hij overigens vol ongeduld wachtte. In zijn Vorlesungen über die Geschichte schreef hij de Europese conflicten toe aan de antichrist, en in zijn brieven is een groeiend geloof te bespeuren in een op handen zijnde catastrofe, waarna een nieuwe wereldorde het einde van de geschiedenis zou markeren en een glorieuze wedergeboorte, misschien in 1836.[56] Georg Hegel ten slotte was, in tegenstelling tot Tolstoj, een bewonderaar van Napoleon en zag in hem de belichaming van de nieuwe tijd, waarover Cees Nooteboom zijn protagonist Arno Tieck in Allerzielen laat denken:

Natuurlijk wilde ik haar niet met abstracties vervelen, maar ik had iets willen vertellen over dat fantastische moment dat Hegel in Jena in zijn studeerkamer de kanonnen hoort, het gebulder van de kanonnen van Napoleon in de Slag bij Jena, en dan weet hij dat de geschiedenis aan haar eindfase begonnen is, eigenlijk al voorbij… en hij is daarbij, hij maakt het ogenblik van de vrijheid mee, zijn concept klopt, met Napoleon is een nieuwe tijd aangebroken, er zijn geen heren en geen knechten meer, die tegenstelling die de hele geschiedenis door bestaan heeft…[57]

En inderdaad heeft Hegel, toen hij na afloop van de slag Napoleon als overwinnaar weg zag galopperen, gezegd dat hij op dat moment wist ‘de wereldgeschiedenis te paard’ te hebben gezien.

  1. Emil Cioran, ‘Razernij en berusting’, in: Bestaan als verleiding; essays, Historische Uitgeverij 2001, blz 218.

  2. Emil Cioran, ‘Brief over een doodlopende weg’, in: Bestaan als verleiding; essays, Historische Uitgeverij 2001, blz. 133.

  3. Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra; ein Buch für Alle und Keiner, Vollmer-Verlag, blz. 138.

  4. Chaim Levano, ‘Nietz­sche en de muziek’, in: Gerrit Jan Kleinrensink (red.), De zaak Nietzsche, Vriendenlust 1986, blz. 122.

  5. Friedrich Nietzsche, uit: Rüdiger Safranski, Nietzsche; Biographie seines Denkens, Hauser 2000, blz. 31.

  6. Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 22-23.

  7. Thomas Mann, De toverberg, (vert. P. Hawinkels), De Arbeiderspers 1985, blz. 292-293.

  8. Maurits Escher, ‘Wit-grijs-zwart’, in: Van Hoorn, Wierda (red.), M.C. Escher over eigen werk, Meulenhoff/Landshoff 1986, blz. 19-20.

  9. George Sarton, Ancient Science through the Golden Age of Greece, Harvard University Press, 1960, blz. 148-149.

  10. Immanuel Kant, uit: Raymund Schmidt, Immanuel Kant; de drie kritieken in hun samenhang met het totale werk gepresenteerd met verbindende tekst, (vert. Henrike van Riel, Marja Nusselder), SUN 2003, blz. 337.

  11. Emile Zola, uit: Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 28.

  12. Thomas Hardy, uit: Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 29-30.

  13. Hillel Schwartz, Century’s end; a cultural history of the fin de siècle from the 990s through the 1990s, Doubleday 1990, blz. 100.

  14. Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 10.

  15. Johannes, De openbaring, 1:12-16 (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  16. Johannes, De openbaring, 5:1. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  17. Johannes, De openbaring, 6:12-17. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  18. Johannes, De openbaring, 8:13. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  19. Johannes, De openbaring, 13:18. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  20. Johannes, De openbaring, 22:10. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  21. Johannes, De openbaring, 21:1-5. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  22. Aurelius Augustinus, uit: Ton van Doorn, Apocalyps Toen! Een geschiedenis van het jaar 1000, Walburg Pers, 1997, blz. 34.

  23. Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 50-51.

  24. Genesis, 1:1-2. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  25. Genesis, 1:3-31; 2:1-3. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  26. Genesis, 6:5-8. (De Nieuwe Bijbelvertaling), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2004.

  27. Peter Watson, Ideeën. De geschiedenis van het menselijk denken, (vert. Rob de Ridder, Joost Zwart, Pieter Janssens, Hans van Cuijlenborg, Gerard Grasman, Amy Bais), Spectrum 2005, blz. 120-123.

  28. Ilja Leonard Pfeijffer, De Antieken; een korte literatuurgeschiedenis, De Arbeiderspers 2000, blz. 110.

  29. Thucydides, uit: Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 14.

  30. Robert de Clary, uit: Eugen Weber, De apocalyps; Het einde der tijden door de eeuwen heen, (vert. Jan Braks), Bert Bakker 1999, blz. 14.

  31. Marcus du Sautoy, Wat wij niet kunnen weten; waarnemingen langs de randen van onze kennis, (vert. Dijs Translations), Nieuwezijds 2017, blz. 219.

  32. John Barrow, The Artful Universe, Clarendon Press 1995, blz. 150.

  33. Jean Lefort, Tellen van tijd. Kalenders door de eeuwen heen, (vert. Anette van der Elst), Wetenschappelijke bibliotheek 2004, blz. 65-66.

  34. Rens Bod, De vergeten wetenschappen. Een geschiedenis van de humaniora, Bert Bakker 2010, blz. 120.

  35. Radulphus Glaber, uit: Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986, blz. 1.

  36. Hillel Schwartz, Century’s end; a cultural history of the fin de siècle from the 990s through the 1990s, Doubleday 1990, blz. 36-37.

  37. Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986, blz. 64.

  38. Hillel Schwartz, Century’s end; a cultural history of the fin de siècle from the 990s through the 1990s, Doubleday 1990, blz. 6.

  39. Justin Smith, Irrationality. A History of the Dark Side of Reason, Princeton University Press 2019, blz. 136.

  40. Michael Spitzer, De muzikale mens. Een wereldgeschiedenis, (vert. Rob de Ridder), Spectrum 2021, 282-283.

  41. Hillel Schwartz, Century’s end; a cultural history of the fin de siècle from the 990s through the 1990s, Doubleday 1990, blz. 52.

  42. Hillel Schwartz, Century’s end; a cultural history of the fin de siècle from the 990s through the 1990s, Doubleday 1990, blz. 49.

  43. Dante Alighieri, De goddelijke komedie, (vert. Ike Cialona, Peter Verstegen), Athenaeum-Polak & Van Gennep 2001, blz. 9.

  44. Geoffrey Chaucer, De vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg, (vert. A.J. Barnouw), Het Spectrum 1968, blz. 531.

  45. Th. Musper, ‘Dürer, der gegenwärtige Stand der Forschung’, Stuttgart 1951, uit: Rogner en Bernhard, Albrecht Dürer 1471 bis 1528, das gesamte graphische Werk,, blz. 1488.

  46. Sandro Botticelli, uit: Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986, blz. 75.

  47. Henk de Vries, ‘Een eeuwenheugend lied en een roman voor eeu­wen’, in: De eeuw­wende 1600; kunst en literatuur, Studium Generale Universiteit Utrecht 1992, blz. 235.

  48. Michel de Mon­taigne, Essays, ‘Over ijdelheid’, (vert. Frank de Graaff), Boom 1993, blz. 1134.

  49. Francis Bacon, uit: Roslynn Haynes, From Faust to Strangelove; Representations of the Scientist in Western Literature, The Johns Hopkins University Press 1994, blz. 24.

  50. Hillel Schwartz, Century’s end; a cultural history of the fin de siècle from the 990s through the 1990s, Doubleday 1990, blz. 108.

  51. John Napier, uit: Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986, blz. 114.

  52. Lev Tolstoj, Oorlog en vrede, (vert. Peter Zeeman, Dieuwke Papma), Anthos 2010, blz. 15.

  53. Johann Wolfgang von Goethe, Faust, (vert. C.S. Adama van Scheltema, Nico van Suchtelen), Wereldbibliotheek 1982, blz. 36.

  54. Friedrich Schiller, uit: Rüdiger Safranski, Friedrich Schiller, of de uitvinding van het Duitse idealisme, (vert. Mark Wildschut), Atlas 2004, blz. 242.

  55. Jean-Jacques Rousseau, uit: Emil Cioran, ‘Over een uitgebluste beschaving’, in: Bestaan als verleiding; essays, Historische Uitgeverij 2001, blz. 53-54.

  56. Friedrich von Schlegel, uit: Eugen Weber, France, Fin de Siècle, Harvard University Press 1986, blz. 149.

  57. Cees Nooteboom, Allerzielen, Atlas 1998, blz. 229.